Gemeente is niet gebonden aan Waarderingsinstructie
Belanghebbende stelt dat de oppervlakte van de woning ten onrechte is bepaald op 123 m² in plaats van 116 m² . Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan het door de heffingsambtenaar vastgestelde oppervlak van de woning. De taxateur heeft verklaard dat de opmeting is verricht aan de hand van de meetinstructie, waarbij rekening is gehouden met de daarin opgenomen afwijkingen ten opzichte van de NEN2580. Door toerekening van het oppervlak van de intern dragende muren en de inpandige bergruimte aan het woonoppervlak van de woning is dit oppervlak berekend op 123 m². Het hof is overigens van oordeel dat deze stelling belangheb-bende verder niet kan baten, nu de heffingsambtenaar onweersproken heeft gesteld dat het oppervlak van het woningdeel van de vergelijkingsobjecten op dezelfde wijze is opgemeten.
Anders dan belanghebbende in hoger beroep betoogt, acht het hof de verkoopprijs 9 maanden na de waardepeildatum van het vergelijkingsobject bruikbaar. Voor zover belanghebbende in hoger beroep heeft willen verwijzen naar de Waarderingsinstructie als grondslag voor de door hem verdedigde termijn van 6 maanden na de waardepeildatum, overweegt het hof dat er geen wettelijke grondslag is om op dit punt de Waarderingsinstructie te volgen. Deze specifieke instructie is opgesteld voor de kwaliteitsbewaking van een specifiek waarderingsproces, te weten de zogenoemde modelmatige waardebepaling door gemeenten en is slechts een hulpmiddel om te bereiken dat daarbij het wettelijke waardebegrip wordt gehanteerd. De toetssteen blijft evenwel uiteindelijk de waarde zoals omschreven in art. 17 lid 2 Wet WOZ, en die waarde kan ook op andere manieren aannemelijk worden gemaakt (HR 29 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8610).
DATUM:
07 september 2017
ECLI:
ECLI:NL:GHAMS:2017:3643
ZAAKNUMMER:
16/00501
INSTANTIE:
Gerechtshof Amsterdam
