Rechtmatigheid invordering wordt niet beoordeeld door belastingrechter
Voor het hof was in geschil of de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch de aanslag afvalstoffenheffing terecht voor het gehele bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Het hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord, omdat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, met name het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
De Hoge Raad oordeelt dat de omstandigheid dat belanghebbende praktische problemen ondervindt bij het verhalen op medegebruikers, in het bijzonder waar die medegebruikers stellen in aanmerking te komen voor kwijtschelding - indien zij zelfstandig in de heffing zouden zijn betrokken -, niet de rechtmatigheid van de aanslag raakt maar de invordering.
De invordering staat niet ter beoordeling van de belastingrechter. Het staat een gemeente vrij om, als zij ervoor kiest om één van de gebruikers aan te slaan, bij de keuze rekening te houden met de kans dat de aanslag bij hem kan worden geïnd. Indien één van de gebruikers geen verhaal biedt, is de gemeente niet gehouden om de aanslag op te leggen aan alle belasting-plichtigen tezamen. Indien een dergelijke aanslag wordt opgelegd, zal de gemeente ook moeten kiezen wie van de gebruikers wordt aangesproken, zij het dan in het kader van de invordering. Ook bij die keuze mag de gemeente rekening houden met de draagkracht van de hoofdelijk aansprakelijke belastingschuldigen. De belastingrechter heeft ook bij de toetsing van de keuze van een heffingsambtenaar welke bewoner(s) hij aanslaat, geen mogelijkheden om rekening te houden met moeilijkheden bij verhaal van de heffing op medebewoners. Het is aan de wetgever om voor dit verhaalsprobleem een nadere regeling te geven. Dat is in het verleden ook gebeurd ter zake van de OZB-gebruikersheffing. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond.
DATUM:
17 oktober 2008
ECLI:
ECLI:NL:HR:2008:BF9110
ZAAKNUMMER:
42 753
INSTANTIE:
Hoge Raad
