Geen sprake van een ontoelaatbare lastenverhoging
De heffingsambtenaar van waterschap Hollandse Delta heeft voor de jaren 2011 en 2012 aanslagen waterschapsbelastingen opgelegd. De bezwaren hiertegen zijn ongegrond verklaard. De Rechtbank Dordrecht heeft de beroepen ongegrond verklaard. Belanghebbende is agrarisch ondernemer en heeft bezwaar tegen de wijze waarop hij door de inspecteur in de watersysteemheffing en de wegenheffing is betrokken. Belanghebbende is van opvatting dat de ’Methode Delfland’ in 2008 een tijdelijke maatregel is geweest om een financieel gat te dichten. Deze ’Methode Delfland’ is vervolgens ongewijzigd doorgevoerd in de Waterschapswet en bevat een weeffout, aldus belanghebbende. Volgens belanghebbende is sprake van een ontoelaatbare lastenverhoging. Belanghebbende maakt bezwaar tegen alle verordeningen, zowel de heffingsverordeningen als de kostentoedelingsverordeningen.
Voor de belastingjaren 2009 en 2010 hebben respectievelijk de Rechtbank Dordrecht (23 juli 2010, nr. AWB 09/1054) en de Rechtbank Rotterdam (14 juli 2011, nr. AWB 11/285) reeds geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de Kostentoedelingsverordening 2009 ten aanzien van belanghebbende zou leiden tot een onredelijke of onrechtvaardige heffing. De Verenigde Vergadering van het waterschap heeft de Kostentoedelingsverordening 2011 vastgesteld, de structuur hiervan wijkt niet af van de structuur van de Kostentoedelingsverordening 2009. Het aandeel van de ingezetenen in de kosten van het watersysteembeheer is zelfs verhoogd van 40% naar 45%. Als gevolg hiervan is het aandeel in die kosten van de zakelijke gerechtigden van (ongebouwde) onroerende zaken verlaagd van 11,82% naar 11,17%. De aanpassing van de percentages is in het voordeel van belanghebbende. Gelet hierop wordt aangesloten bij de uitspraken van de rechtbanken. Voorts is de Kostentoedelingsverordening 2011 in overeenstemming met de wet, omdat de Waterschapswet slechts de bevoegdheid kent om het kostendeel voor verharde wegen maximaal 100% hoger vast te stellen. In de Kostentoedelingsverordening 2011 is van deze bevoegdheid tot het maximale percentage gebruik gemaakt. De beroepsgrond dat de kostentoedeling ten aanzien van verharde wegen voor de toekomst wordt aangepast, leidt er niet toe dat de aanslagen voor de belastingjaren 2011 en 2012 tot te hoge bedragen zouden zijn opgelegd. Dat inmiddels bekend is dat de Waterschapswet voor het belastingjaar 2013 op dit punt wordt gewijzigd, verplicht de heffingsambtenaar niet aan deze wijziging eveneens voor voorgaande jaren gevolgen te verbinden. De wetgever heeft er niet voor gekozen, en behoefde er redelijkerwijs ook niet voor te kiezen, om deze wijziging met terugwerkende kracht van toepassing te verklaren. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar voor de belastingjaren 2011 en 2012 niet de bevoegdheid om het kostendeel voor verharde wegen met meer dan 100% te verhogen. Nu de belastingheffing gelet op het bovenstaande niet als onredelijk en willekeurig is aan te merken, en tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende als belastingplichtige is aan te merken zijn de aanslagen rechtmatig opgelegd. Verder overweegt het hof dat het vaststellen van de kostenverdeling en de tarieven zijn voorbehouden aan het waterschap en dat de belastingrechter zich bij de beoordeling van de keuzes die het waterschap daarbij heeft gemaakt terughoudend opstelt en die keuzes marginaal toetst. Niet is gebleken dat de waterschapsbelastingheffing ten aanzien van belanghebbende als onredelijk en willekeurig is aan te merken.
Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
DATUM:
14 augustus 2013
ECLI:
ECLI:NL:GHDHA:2013:3177
ZAAKNUMMER:
BK-13/00164 en 13/00165
INSTANTIE:
Gerechtshof Den Haag
