Geen door IVBPR en EVRM verboden discriminatie
De heffingsambtenaar van waterschap Zuiderzeeland heeft een aanslag watersysteemheffing ongebouwd ter zake van landbouwgrond opgelegd van € 6.116. Volgens belanghebbende is sprake van strijdigheid van de Waterschapswet met artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM, aangezien de wetgever ongelijke gevallen gelijk behandelt door onder meer wegen en andere infrastructuur net als landbouwgrond aan te merken als ongebouwde eigendommen.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij komt op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij dat van redelijke grond ontbloot is. De rechtbank stelt vast dat in artikel 117, vijfde lid, van de Waterschapswet (oud) reeds was bepaald dat wegen en andere infrastructuur dienen te worden aangemerkt als ongebouwde eigendommen.
Voor zover al sprake is van gelijke behandeling van ongelijke gevallen, overweegt de rechtbank dat voor de indeling van eigenaren van landbouwgrond in dezelfde categorie als eigenaren van wegen en andere infrastructuur, een objectieve en niet onredelijke rechtvaardiging bestaat. Eigenaren van landbouwgrond zijn een belangrijke bron van verontreiniging en bovendien hebben zij bijzonder belang hebben bij de watersysteemzorg.
De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat zich een verboden discriminatie voordoet.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
DATUM:
30 maart 2011
ECLI:
ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ0124
ZAAKNUMMER:
09/1438
INSTANTIE:
Rechtbank Zutphen
