Tariefsverhoging met € 96 naar € 156 niet onrechtmatig

De gemeente Gouda heeft het tarief voor een eerste bewoners-parkeervergunning in het onderhavige belastingjaar vastgesteld op € 156. Hierdoor is het tarief ten opzichte van het voorgaande jaar verhoogd met € 96. De heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland heeft dit bedrag aan belanghebbende in rekening gebracht. Het bezwaar hiertegen is ongegrond verklaard.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet zonder meer worden gesteld dat de situatie in de verschillende woonwijken of woongebieden die door belanghebbende zijn genoemd, vanuit een oogpunt van parkeerdruk, gelijk is. De heffingsambtenaar heeft in dit verband onweersproken gesteld dat het verschil in behandeling mede zijn oorzaak vindt doordat bewoners in bepaalde gebieden wel en in andere gebieden niet zelf om parkeerregulering door middel van een vergunningstelsel hebben verzocht. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat sprake is van gelijke gevallen. Zo al sprake zou zijn van gelijke gevallen, komt de gemeente een ruime marge toe om te besluiten – uit praktische overwegingen – alleen in dat gedeelte van de straat parkeerbelasting te heffen dat in het aangewezen gebied is gelegen.
Verder overweegt de rechtbank dat, gegeven de hoogte van het tarief waarnaar de belasting van belanghebbende is geheven, van onredelijke en willekeurige belastingheffing geen sprake is. Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de Verordening in strijd met de wettelijke voorschriften is vastgesteld, en evenmin sprake is van een in dit verband onzorgvul-dig handelen door de heffingsambtenaar. De rechtbank acht in dit verband aannemelijk dat de heffingsambtenaar aan de tariefsverhoging onder meer onderzoek naar parkeerdruk ten grondslag heeft gelegd. De gemeente is met de tariefsverhoging niet buiten de haar toeko-mende bevoegdheid getreden door de uit de belastingheffing verkregen gelden niet alleen aan te wenden in het kader van parkeerregulering maar daarmee tevens te streven naar extra opbrengst die nodig is voor de algemene bezuinigingstaakstelling.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.