Veergeld; beroep op vertrouwensbeginsel niet gehonoreerd
Aan belanghebbende is door de heffingsambtenaar van de gemeente Boarnsterhim een aanslag veerrecht opgelegd voor het gebruik van de bij de gemeente in eigendom en beheer zijnde veerpont. Tussen partijen is in geschil of verweerders bevoegdheid tot het opleggen van deze aanslag wordt beperkt door een op 21 juni 1960 gesloten overeenkomst tussen de gemeente en het waterschap. Uit de overeenkomst volgt dat deze verplichting in direct verband staat met de verplichting van het waterschap om de pont, waarvan de aanschafkosten ten laste van de ingelanden waren gekomen, voor 1 gulden over te dragen aan de gemeente.
Naar het oordeel van de rechtbank kon belanghebbende, die in 1960 reeds ingeland was van het waterschap en derhalve als belanghebbende bij de overeenkomst heeft te gelden, het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat hij na het sluiten van de overeenkomst gevrijwaard zou blijven van kosten voor het gebruik van de pont. De rechtbank is echter van oordeel dat wegens tijdsverloop en gewijzigde omstandigheden aanleiding kan bestaan om belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel niet te honoreren. De rechtbank overweegt daartoe ten eerste dat tussen het moment van het sluiten van de overeenkomst en het opleggen van deze aanslag veerrecht bijna 48 jaren zijn verstreken. In die periode heeft het karakter van het veer aanzienlijke wijzigingen ondergaan, onder andere door het toegenomen (toeristische) verkeersaanbod, de overtocht van zwaardere transportmiddelen in verband met de gewijzigde agrarische bedrijfsvoering en de steeds strengere veiligheidseisen. Mede door deze ontwikkelingen zijn de exploitatielasten van de pont voor de gemeente met de loop der jaren aanzienlijk toegenomen en is de oorspronkelijke pont, waarop de overeenkomst uit 1960 betrekking had, reeds lang geleden vervangen. Door pas met ingang van 1998 een vergoeding van de vaste bewoners te vragen, terwijl dit bij andere gebruikers al sinds 1966 het geval was, en daarbij voor de vaste bewoners een lager tarief te hanteren, heeft de gemeente naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate voorzien in een overgangsperiode. Onder deze omstandigheden mocht belanghebbende in 2008 aan de overeenkomst uit 1960 niet meer het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat hem geen aanslag veerrecht zou worden opgelegd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
DATUM:
10 juni 2010
ECLI:
ECLI:NL:RBLEE:2010:BM7324
ZAAKNUMMER:
08/2303
INSTANTIE:
Rechtbank Leeuwarden
