Waarderingsmix niet toegestaan bij waardering van één object
Na bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam de WOZ-beschikkingen en (voorlopige) aanslagen OZB gehandhaafd. De Rechtbank Rotterdam heeft het beroep gegrond verklaard. Hof 's-Gravenhage heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank, omdat belanghebbende niet is gehoord.
Voorts overweegt de Hoge Raad, voor zover na verwijzing nog een oordeel moet worden gegeven over de waardering van de onroerende zaken het volgende. Opgemerkt dient te worden dat het hof terecht heeft overwogen dat in gevallen waarin een object bij toepassing van de Wet WOZ als één geheel moet worden gewaardeerd, de waarde van dat object dient te worden bepaald op de waarde in het economische verkeer dan wel op de vervangingswaarde indien deze hoger is, en dat beide maatstaven niet afzonderlijk mogen worden toegepast op één of meer onderdelen van een object. De waarderingsvoorschriften die zijn neergelegd in artikel 17, tweede en derde lid, van de Wet WOZ zien immers, voor zover die wet niet anders voorschrijft, op de bepaling van de waarde van "een onroerende zaak". Daaronder moet worden verstaan de gehele onroerende zaak, zoals die is afgebakend op de voet van artikel 16 van de Wet WOZ. Dat ten aanzien van in de commerciële sfeer gebezigde courante onroerende zaken de gecorrigeerde vervangingswaarde in beginsel niet kan afwijken van de waarde in het economische verkeer (vgl. HR 31 mei 1995, nr. 29 224, BNB 1995/228) en beide waarderingsvoorschriften dus in zoverre leiden tot eenzelfde uitkomst, maakt dit niet anders. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond.
DATUM:
28 januari 2011
ECLI:
ECLI:NL:HR:2011:BP2132
ZAAKNUMMER:
10/00648
INSTANTIE:
Hoge Raad
