Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende ontvangt een WOZ-beschikking en aanslag OZB en gaat daartegen in bezwaar. Wegens uitblijven van een uitspraak op bezwaar gaat hij ook in beroep. Belanghebbende voert aan dat de beslistermijn van art. 30 lid 9 Wet WOZ niet met toepassing van art. 7:10 lid 3 Awb kan worden verdaagd.
De Hoge Raad overweegt dat de termijn van art. 7:10 lid 1 Awb 6 weken bedraagt. Ingevolge art. 30 lid 9 Wet WOZ en art. 236 lid 2 Gemeentewet beslist de heffingsambtenaar in afwijking van art. 7:10 lid 1 Awb op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. Uit de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van art. 30 lid 9 Wet WOZ en art. 236 lid 2 Gemeentewet valt niet af te leiden dat de afwijking van art. 7:10 Awb verder reikt dan het eerste lid van dat artikel. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de termijn voor het doen van uitspraken op bezwaar met 6 weken was verdaagd, zodat belanghebbende zowel de ingebrekestelling als het beroep bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen prematuur heeft ingediend.
DATUM:
05 april 2019
ECLI:
ECLI:NL:HR:2019:494
ZAAKNUMMER:
18 00309
INSTANTIE:
Hoge Raad
