Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bij zeer gering financieel belang van € 15

De heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk heeft de WOZ-waarde in bezwaar verminderd van € 295.000 tot € 268.000. Het financiële belang van de procedure is € 195,65.
Het bezwaarschrift is op 25 maart 2010 door de heffingsambtenaar ontvangen. Op 29 december 2010 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 16 oktober 2012 en het hof op 18 maart 2016. Het hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn voor berechting van de zaak is overschreden, maar dat het financiële belang van de procedure zeer gering is in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1361), zodat er geen reden is voor vergoeding van immateriële schade. Het hof heeft bij dat oordeel tot uitgangspunt genomen dat van een zeer gering financieel belang sprake is indien het belang een bedrag van € 200 niet te boven gaat.
De Hoge Raad overweegt dat bij een geschil dat betrekking heeft op een zeer gering financieel belang er geen aanleiding is om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft veroorzaakt. Indien het belang van een procedure uitsluitend is gelegen in de vaststelling van een of meer door of aan een bestuursorgaan te betalen bedragen, zoals in dit geval, moet worden aangenomen dat de procedure betrekking heeft op een zeer gering financieel belang, indien de som van die bedragen niet meer beloopt dan € 15. Gelet hierop heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat met de procedure een zeer gering financieel belang is gemoeid.
De voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn is 2 jaar, 6 maanden en 22 dagen. De redelijke termijn is daarom overschreden met afgerond 7 maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Van de overschrijding met afgerond 7 maanden is een periode van 3 maanden en 4 dagen, naar boven af te ronden op 4 maanden, toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase. De heffingsambtenaar dient daarom 4/7e deel van € 1.000 te betalen (€ 571) en de Staat 3/7e deel (€ 429). Met de overschrijding van de redelijke termijn van afgerond 1,5 jaar in de hogerberoepsfase correspondeert een bedrag van € 1.500 dat door de Staat dient te worden betaald.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.