Immateriële schadevergoeding bij voortzetting procedure door erfgenamen
Voor het hof was in geschil of belanghebbenden als erfopvolgers vergoeding kunnen verzoeken van immateriële schade die is ontstaan als gevolg van de lange duur van procedures die de erflaatster aanhangig had gemaakt. Het hof oordeelt dat het recht niet op belanghebbenden is overgegaan, omdat niet aannemelijk is geworden dat de erflaatster bij leven aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van deze schade.
De Hoge Raad overweegt dat een concrete aantasting van de persoon van de benadeelde als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW geen wezenlijke rol meer speelt. Dit roept de vraag op of bij overlijden van de belanghebbende in de loop van de procedure, de mogelijkheden voor de erfgenamen om wegens de lange duur van die procedure vergoeding van immateriële schade te krijgen niettemin worden beperkt door de laatste volzin van artikel 6:106, tweede lid, van het BW. Op grond van die volzin is het recht op een vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat niet vatbaar voor overgang onder algemene titel, tenzij de gerechtigde aan de wederpartij heeft meegedeeld aanspraak te maken op de vergoeding. De rechtvaardiging van dat voorschrift is gelegen in het (hoogst)persoonlijke karakter van de aanspraak. In verband hiermee ontbreekt dat karakter in het stelsel van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Om die reden staat de tweede volzin van artikel 6:106, tweede lid, van het BW niet eraan in de weg dat aan erfgenamen op hun verzoek een schadevergoeding wordt toegekend in verband met de lange duur van de procedure, ook voor zover daarin een vergoeding besloten ligt voor een gedeelte van die duur waarin de erflater procespartij was en deze geen aanspraak op zo'n vergoeding heeft gemaakt. Indien de belanghebbende in de loop van de procedure overlijdt en de procedure ten name van diens erfgenamen wordt voortgezet, brengen de hiervoor genoemde uitgangspunten en het arrest Scordino van het EHRM (EHRM 29 maart 2006, no 36813/97, Scordino tegen Italië, AB 2006/294) verder mee dat de in aanmerking te nemen termijn met betrekking tot de desbetreffende fase van de procedure ook ten aanzien van de erfgenamen moet worden geacht te zijn aangevangen op het moment waarop door de erflater tegen de beschikking van de inspecteur bezwaar is gemaakt, onderscheidenlijk (hoger) beroep dan wel beroep in cassatie is ingesteld.
DATUM:
17 oktober 2014
ECLI:
ECLI:NL:HR:2014:2981
ZAAKNUMMER:
13/06130
INSTANTIE:
Hoge Raad
