Afvalstoffenheffing; door gemeente betaalde omzetbelasting is terecht tot de kosten gerekend
X stelt dat, als de gemeente gebruik maakt van de mogelijkheid om fictieve omzetbelasting als kostenpost mee te nemen, dit niet ten koste mag gaan van de maximale kostendekkendheid van 100%. Het hof overweegt dat in art. 15.33 lid 3 Wm is bepaald dat onder de in het eerste lid bedoelde kosten mede wordt verstaan de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds. Die bepaling bewerkstelligt dat in de begroting geen rekening behoeft te worden gehouden met de vordering op het BTW-compensatiefonds. Uit art. 15.33 Wm volgt verder, dat het de keuze van de wetgever is dat de verschuldigde BTW als kosten kunnen worden verantwoord, terwijl daarnaast een vergoeding van die kosten uit het BTW-compensatiefonds wordt verkregen. De wetgever heeft daarmee bewust de mogelijkheid geschapen dat in de begroting (structureel) een batig saldo ontstaat. Dit batig saldo is echter een relatief begrip omdat, zoals volgt uit de parlementaire geschiedenis, de invoering van het BTW-compensatiefonds een terugname meebrengt van de uitkering die de gemeente van de overheid ontvangt uit het gemeentefonds. De stelling dat sprake zou zijn van een niet bedoelde toevoeging is daarom onjuist. Het is de gemeente zowel op grond van de tekst als de strekking van het voorschrift van art. 15:33 lid 3 Wm toegestaan om de in verband met de inzameling van afvalstoffen aan de gemeente in rekening te brengen omzetbelasting tot de geraamde lasten ter zake te rekenen.
Terug naar kennisbankDATUM:
03 april 2025
ECLI:
ECLI:NL:GHDHA:2025:552
ZAAKNUMMER:
24/716
INSTANTIE:
Gerechtshof Den Haag
