Uitleg beoordeling 'bijzonder geval' voor proceskostenvergoeding
In het arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad overwogen dat de wetgever in de WHpkv het oog heeft gehad op gevallen waarin aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een gemachtigde, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. De vraag of het bedrijfsmodel niet deze drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het rechtsmiddel is aangewend. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet, maar is meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. Indien het bedrijfsmodel inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als onder (ii) bedoeld, zal beoordeeld moeten worden of dit bedrijfsmodel voldoet aan het onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt er dus op aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de kosten ver overtreft. Aangezien het te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde of het kantoor kennelijk niet alle drie kenmerken heeft, moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat diens bedrijfsmodel een of meer van deze kenmerken niet heeft.
Terug naar kennisbankDATUM:
25 april 2025
ECLI:
ECLI:NL:HR:2025:670
ZAAKNUMMER:
24/00575 bis
INSTANTIE:
Hoge Raad
