Conclusie A-G; verlaging tot 10% van de normale pkv onverklaarbaar, onredelijk en onevenredig

B&W van de gemeente Utrecht heeft cassatieberoep ingesteld, de gemachtigde van X niet. Volgens de A-G is het cassatieberoep ongegrond, omdat de cassatierechter niet over feitelijke (bewijs)oordelen gaat. X komt dan in aanmerking voor vergoeding van de in cassatie gemaakte rechtsbijstandskosten. Sinds 1 januari 2024 bepaalt de WHpkv (art. 30a Wet WOZ) die vergoeding op 10% van de reguliere pkv, die verder uitsluitend wordt uitbetaald aan de belastingplichtige. De gemachtigde bestrijdt beide nieuwe regels. Op basis van art. 30a Wet WOZ wordt de reguliere cassatie-pkv ex het Bpb verlaagd tot slechts 10% daarvan. Die uitkomst staat volgens de A-G haaks op het doel van de WHpkv (tegengaan van nodeloos (door)procederen door gemachtigden om pkv’s en ISV’s uit te lokken). In dit geval zijn het B&W die nodeloos doorprocederen. In het licht van het doel van de WHpkv is verlaging tot 10% van de normale pkv onverklaarbaar, onredelijk en onevenredig. De A-G meent dat indien (i) een hoger beroep of cassatieberoep uitsluitend door de belastingheffer is ingesteld dat ertoe strekt dat de WOZ- of bpm-beschikking zoals vastgesteld door de eerdere rechter materieel anders moet luiden en (ii) dat beroep ongegrond wordt verklaard, de zich met beroepsmatige bijstand succesvol verwerende belastingplichtige recht heeft op 0,25 in plaats van 0,1 maal de reguliere Bpb-vergoeding van proceskosten. De A-G geeft de Hoge Raad verder in overweging zich onbevoegd te verklaren op het uitbetalingsverzoek van de gemachtigde (vgl. ECLI:NL:HR:2016:324).  

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.