Arrest Sopropé mist toepassing
Tussen partijen is o.a. In geschil of de heffingsambtenaar van de gemeente Leiderdorp ten onrechte heeft nagelaten belanghebbende te horen alvorens de WOZ-beschikking te geven (1), de heffingsambtenaar ten onrechte heeft nagelaten belanghebbende te horen alvorens uitspraak op het bezwaar te doen (2), de WOZ-beschikking moet worden vernietigd omdat zij niet tijdig is gegeven (3) en of de artikelen 8:42, lid 1, 8:55 en 8:66 van de Awb zijn geschonden (4).
Belanghebbende heeft ter zitting het hof enkele dozen met stukken aangeboden met het verzoek om deze in de beoordeling van het geschil te betrekken. Het hof overweegt dat door het toelaten van deze stukken, de heffingsambtenaar belemmerd zou worden om daarop adequaat te reageren en de goede voortgang van de procedure in het gedrang zou komen.
Met betrekking tot het eerste geschilpunt overweegt het hof dat het arrest Sopropé toepassing mist, omdat dit een zuiver interne aangelegenheid van Nederland is, zodat gemeenschapsrecht niet van toepassing is. In een vergelijkbare verplichting voorziet het nationale recht niet. Evenmin is het hof gebleken dat belanghebbende doordat de heffingsambtenaar haar niet heeft gehoord alvorens de beschikking te geven, in haar procespositie is geschaad. Met betrekking tot het tweede geschilpunt overweegt het hof dat in het bezwaarschrift niet meer valt te lezen dan dat belanghebbende wenst te worden gehoord in verband met de hogere kostenveroordeling. De heffingsambtenaar behoefde hierin niet te lezen dat belanghebbende haar standpunt over de materiële belastingschuld mondeling nader uiteen wenste te zetten op een hoorzitting. Met betrekking tot het derde geschilpunt overweegt het hof dat het niet nemen van de beschikking binnen 8 weken na het begin van het kalenderjaar waarvoor zij geldt, geen nietigheid van de beschikking meebrengt. Met betrekking tot het vierde geschilpunt oordeelt het hof dat van schending van artikel 8:55 van de Awb geen sprake kan zijn, omdat deze bepaling het doen van verzet betreft en dus niet aan de orde is. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de heffingsambtenaar de op de zaak betrekking hebbende stukken niet heeft ingezonden. Ook overigens is het hof daarvan niet gebleken. Verder heeft de wetgever aan de overschrijding van de in artikel 8:66 van de Awb vermelde termijn geen consequentie verbonden.
De klachten kunnen gezien art. 81 RO niet tot cassatie leiden.
DATUM:
11 september 2015
ECLI:
ECLI:NL:HR:2015:2494
ZAAKNUMMER:
14/05585
INSTANTIE:
Hoge Raad
