Recht op de vergoeding van immateriële schade is niet prijsgegeven

Het hof heeft vastgesteld dat X en de gemachtigde bij voorbaat zijn overeengekomen dat alle proceskostenvergoedingen, dwangsommen en/of schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen en in mindering worden gebracht op de vergoeding die aan X in rekening wordt gebracht. X betaalt per saldo niets. Volgens het hof staat vast dat X bij voorbaat heeft afgezien van iedere vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en persoonlijk kennelijk geen spanning en frustratie ervaart. De Hoge Raad oordeelt dat de omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat X moet worden geacht geen of minder spanning en frustratie te hebben ervaren als gevolg van de lange duur van de procedure. Dat X bij voorbaat een beslissing heeft genomen over de besteding van de eventuele vergoeding, brengt niet mee dat hij geen immateriële schade zal lijden. Het hof heeft verder blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat X van het recht op de vergoeding van immateriële schade heeft afgezien. Een dergelijk prijsgeven volgt niet uit de omstandigheid dat X bij voorbaat ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van immateriële schade, door middel van verrekening ‘met gesloten beurzen’, in mindering wordt gebracht op de vergoeding die de gemachtigde aan hem in rekening zal brengen. 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.