Rioolheffing; voorziening kan niet in aanmerking genomen worden als een last ter zake
X stelt dat het feit dat overschotten worden gedoteerd aan de post ‘Voorziening riolering’ niet zonder meer met zich mee brengt dat sprake is van een last ter zake van de riolering. De heffingsambtenaar stelt dat er geen rechtstreekse koppeling is tussen het bedrag van de voorziening en de investeringen die uit hoofde van het GRP moeten worden gedaan. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar voorgehouden dat hieruit volgt dat de post ‘Voorziening riolering’ een sluitpost is. De heffingsambtenaar heeft dit niet weersproken, maar heeft enkel gesteld dat de gelden van de voorziening alleen voor de riolering mogen worden gebruikt. Een dergelijke sluitpost kan niet zonder meer worden gelijkgesteld met een reservering voor toekomstig onderhoud of toekomstige vervangingsinvestering, omdat er geen relatie is te leggen met het GRP. Bovendien is niet geborgd dat de opbrengst van de rioolheffing ook daadwerkelijk uitsluitend aan de riolering zal worden besteed. In het GRP staat vermeld dat in 2017 en 2018 de inkomsten uit de rioolheffing groter zijn dan de lasten, maar vanaf 2019 de inkomsten lager zullen zijn dan de lasten en dat de voorziening vanaf dat moment wordt aangewend om de tekorten op te vangen. Feitelijk zijn ook in 2020 de baten nog steeds groter dan de lasten. Omdat de geraamde baten de geraamde lasten met meer dan 10 procent overschrijden, kan de voorziening in 2019 niet in aanmerking genomen worden als een last ter zake van de riolering. De verordening is onverbindend.
Terug naar kennisbankDATUM:
02 augustus 2022
ECLI:
ECLI:NL:RBGEL:2022:4126
ZAAKNUMMER:
21/3068 en 21/3069
INSTANTIE:
Rechtbank Gelderland
