Uitleg begrip ‘natuurterreinen’
Belanghebbende is eigenaresse van een perceel in het gebied van waterschap Regge en Dinkel. Zij beheert het perceel volgens het beheertype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Het perceel wordt verpacht aan een agrariër die de gewassen maait, het perceel bemest en laat begrazen door de toegestane hoeveelheid vee. De beperkingen van het beheertype maken dat het perceel nog voor 38% agrarisch productief is, het perceel heeft dus 62% van zijn vermogen tot agrarische productie verloren. Het hof heeft geoordeeld dat de inrichting en het beheer van het perceel geheel of nagenoeg geheel zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Het hof heeft daaraan ten grondslag gelegd dat niet in geschil is dat het extensieve agrarische gebruik in dit geval essentieel is voor de ontwikkeling van het gebied als ‘kruiden- en faunarijk grasland’ (nieuwsservice 2013, week 52). Het middel betoogt dat het hof de term ‘natuurterreinen’ in artikel 116, letter c, van de Waterschapswet onjuist heeft uitgelegd door uitsluitend vanuit het perspectief van de eigenaar van het perceel te beoordelen of en in hoeverre buiten de doelstelling behoud en ontwikkeling van natuur gebruik wordt gemaakt van het opbrengstgevende vermogen van het perceel. Het hof had volgens het middel in zijn beschouwing ook moeten betrekken in hoeverre de pachtende agrariër binnen diens agrarisch-productieve doelstelling - de veehouderij - gebruik maakt van het opbrengstgevende ver-mogen van het perceel. In dit geval zijn er twee inrichtings- en beheervormen te onderscheiden, natuurbeheer en agrarisch beheer/gebruik. Indien inrichting en beheer voor meer dan 10% zijn afgestemd op agrarisch-productieve doelstellingen, is geen sprake van een natuurterrein, aldus de toelichting op het middel.
De Hoge Raad overweegt dat bij de vraag of een ongebouwde onroerende zaak kan worden aangemerkt als natuurterrein als eis geldt dat de inrichting en het beheer van die zaak geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Activiteiten die zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur moeten worden gerekend tot het beheer in de zojuist bedoelde zin. Dit geldt ook indien die activiteiten leiden tot agrarische opbrengsten. De wettekst noch de wetsgeschiedenis van artikel 116 van de Waterschapswet biedt steun aan de in het middel vervatte andersluidende opvatting. In dit verband is niet van belang hoeveel opbrengst die activiteiten genereren, en evenmin of zij worden verricht door de eigenaar van het terrein of door een derde, zoals een pachter. Voor zover het middel betoogt dat een resterend agrarisch opbrengstvermogen van meer dan 10% meebrengt dat geen sprake is van een natuurterrein faalt het derhalve. Het hof heeft overwogen dat de begrazing (dan wel het periodiek maaien) van het perceel in dit geval geschiedt binnen de doelstelling behoud of ontwikkeling van natuur en heeft op die grond geoordeeld dat de inrichting en het beheer van het perceel geheel of nagenoeg geheel zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Hierin ligt besloten het oordeel dat ook de begrazing (dan wel het periodiek maaien) is afgestemd op het behoud en de ontwikkeling van natuur. Aldus opgevat geeft deze overweging van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Die overweging is evenmin onbegrijpelijk. Het hof behoefde zich van zijn oordeel ook niet te laten afhouden door de omstandigheid dat het perceel nog in ontwikkeling was van regulier agrarisch grasland naar ‘kruiden- en faunarijk grasland’, aangezien artikel 116, letter c, van de Waterschapswet blijkens de tekst van die bepaling ook van toepassing is in de fase waarin sprake is van de ontwikkeling van natuur.
DATUM:
07 november 2014
ECLI:
ECLI:NL:HR:2014:3118
ZAAKNUMMER:
13/06382
INSTANTIE:
Hoge Raad
