Eenheidstarief van € 1.175 leidt niet tot willekeurige en onredelijke belastingheffing

De heffingsambtenaar van de gemeente Voorst heeft aanslagen reclamebelasting 2009 en 2010 opgelegd en de bezwaren hiertegen ongegrond verklaard. De Rechtbank Zutphen heeft de beroepen ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat het eenheidstarief van € 1.175 haar onevenredig zwaarder treft dan grotere bank- en winkelvestigingen. Het hof heeft overwogen dat de door belanghebbende gewenste heffingsmaatstaf, de omzet, niet tot de verboden maatstaven behoort (HR 28 juni 2002, LJN AD8550). Dit betekent echter niet dat de omzet een verplichte maatstaf voor de reclamebelasting is. De vrijheid die de gemeenteraad heeft bij het kiezen van een heffingsmaatstaf brengt mee dat daarbij ook mag worden gelet op hanteerbaarheid en uitvoerbaarheid van de verordening. Dit met het oog op de kosten die in de uitvoeringssfeer aan de keuze van een gedifferentieerde maatstaf zouden zijn verbonden. Van het eenheidstarief kan niet gezegd worden dat het leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing. Het hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond met toepassing van artikel 81 RO.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.