Wegenheffing; percelen grasland terecht in de heffing betrokken
Belanghebbende drijft een melkveebedrijf op grasland en wordt voor deze percelen door het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard aangeslagen voor de wegenheffing. Hij stelt dat de percelen waarvan hij eigenaar is niets met een weg te maken hebben en kan niet inzien waarom hij hiervoor wegenheffing dient te betalen. Verder voert hij aan dat hij onevenredig veel wegenheffing moet betalen in vergelijking met een particulier en in vergelijking met een perceel natuurgrond.
De rechtbank volgt belanghebbende niet. Naast de hoofdtaken van het waterschap – de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater – kan aan een waterschap ook de zorg voor het wegenbeheer of een gedeelte daarvan zijn opgedragen, zoals ook is gebeurd aan het Hoogheemraadschap. Om deze zorg te bekostigen is in artikel 122a van de Waterschapswet opgenomen dat een heffing daarvoor kan worden ingevoerd, de zogenoemde wegenheffing. In artikel 122a van de Waterschapswet en de daarop gebaseerde Verordening van het Hoogheemraadschap is niet opgenomen dat een perceel een relatie moet hebben met een weg of een aansluiting op een weg moet hebben. Er hoeft dus geen verband te zijn tussen de (grootte van de) percelen waarover de wegenheffing wordt geheven en in hoeverre belanghebbende daarvan profijt heeft. Nu de wet de wegenheffing op deze manier mogelijk maakt, kon voor de percelen van belanghebbende wegenheffing worden geheven. De rechtbank mag niet oordelen in hoeverre de wet eerlijk en rechtvaardig is. Verder leidt het verschil in tarief tussen een perceel grasland en een natuurterrein niet tot de conclusie dat sprake is van een onredelijke belastingheffing. Het onderscheid tussen natuurterreinen en grasland voor melkveebedrijven vloeit rechtstreeks voort uit de wet, evenals de verdeling van de kosten over de verschillende categorieën. Gelet op de wettelijke regels en de beperkte ruimte voor eigen afwegingen door het Hoogheemraadschap kan in redelijkheid niet worden gezegd dat de tariefstelling (en met name het verschil in tarief tussen percelen agrarisch grasland en percelen natuurterreinen) leidt tot willekeurige of onredelijke belastingheffing, die de wetgever bij het toekennen van deze bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad.
Terug naar kennisbankDATUM:
17 april 2019
ECLI:
ECLI:NL:RBROT:2019:3032
ZAAKNUMMER:
18.5149
INSTANTIE:
Rechtbank Rotterdam
