Werktuigenvrijstelling windturbine bepaald op 57,4%

De heffingsambtenaar van de gemeente Lelystad heeft de waarde van de onroerende zaak, een perceel grond met daarop twee windturbines, vastgesteld op € 1.753.000 en het bezwaar hiertegen afgewezen. De Rechtbank Zwolle-Lelystad heeft het beroep gegrond verklaard en de waarde verminderd tot € 844.281. De heffingsambtenaar heeft hoger beroep aangetekend.
Het hof overweegt dat de taxatiewijzer windturbines algemene gegevens met betrekking tot de waardering bevat. De taxatiewijzer bevat algemene aanwijzingen en gemiddelde kengetallen zonder rekening te houden met de specifieke kenmerken van individuele onroerende zaken. Voor zijn stelling dat de werktuigenvrijstelling 28,8% bedraagt, heeft de heffingsambtenaar zich gebaseerd op een overzicht van de verhoudingen van de onderdelen van een ander type windturbine. Belanghebbende betwist dat het percentage van de werktuigenvrijstelling van dat type windturbine ook geldt voor haar windturbine. Tegenover deze betwisting heeft de heffingsambtenaar volgens het hof zijn stelling niet aannemelijk gemaakt.
Belanghebbende verwijst tot steun voor zijn stelling dat de werktuigenvrijstelling 57,4% bedraagt naar een brief van de leverancier van de windturbine. De heffingsambtenaar brengt hier tegenin dat de leverancier heeft aangegeven dat de opgegeven percentages werktuigenvrijstelling niet meer gelden. Voorts wijst hij erop dat de uitkomst niet nader kan worden geanalyseerd.
Het hof gaat hier niet in mee en is van mening dat aan te nemen valt dat de leverancier van de windturbine bij uitstek kan weten uit welke onderdelen een windturbine als de onderhavige bestaat en wat de prijs van deze onderdelen is. Uit de brief valt af te leiden dat kennelijk per type windturbine een analyse is gemaakt en per type een percentage is bepaald van de waarde van de niet onder de werktuigenvrijstelling vallende delen van windturbines van de verschillende typen. Ook illustreert deze brief dat er kennelijk grote verschillen bestaan tussen de verschillende typen windturbines. Het hof stelt de waarde vast op € 752.798.
Het hof verklaart het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond en het incidentele hoger beroep van belanghebbende gegrond.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.