Rioolrechten; Buiten de heffing laten van eigendommen in het buitengebied
Tussen partijen is onder andere nog in geschil of het ten laste van de Reserve Rioleringen brengen van uitgaven voor investeringen zoals de nieuwe aanleg in het buitengebied en de aanleg van bergbezinkvoorzieningen tot onverbindendheid van het tarief van het afvoerrecht leidt.
Belanghebbende heeft met betrekking tot dit geschilpunt betoogd dat de gemeente investe-ringen in onder meer de aanleg van nieuwe riolering in het buitengebied en zogenoemde bergbezinkbassins, welke dienen ter voorkoming van overstorten vanuit het rioolbuizenstelsel in oppervlaktewater, vooraf financiert via de Reserve Rioleringen en dat zulks niet is toegestaan. Ingevolge artikel 229b, tweede lid, van de Gemeentewet worden onder de lasten ter zake waarvan rechten kunnen worden geheven, mede verstaan bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa. Blijkens de toelichting bij het desbetreffende artikelonderdeel dient het daarbij slechts te gaan om toekomstige investeringen ten behoud van het bestaande voorzieningenniveau. Uitgaven voor uitbreiding van het voorzieningenniveau zullen, aldus belanghebbende, middels afschrijving (dus achteraf) aan de burger in rekening moeten worden gebracht. Aangezien uitbreidingsinvesteringen zoals hiervoor zijn genoemd, via de Reserve Rioleringen lopen maakt de gemeente een door de wetgever niet beoogd gebruik van de onderhavige bestemmingsreserve, hetgeen noopt tot de conclusie dat de tariefstelling van de rioolrechten niet in overeenstemming is met de op-brengstnorm welke is opgenomen in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet.
De Ambtenaar heeft hiertegenover aangevoerd dat onderscheid moet worden gemaakt tussen fondsvorming vooraf en uitgaven enerzijds en tussen uitgaven en lasten anderzijds. Slechts daadwerkelijke investeringsuitgaven worden ten laste van de Reserve Rioleringen gebracht.
Van fondsvorming vooraf is geen sprake. Dat uitgaven voor investeringen in onder meer de aanleg van nieuwe riolering in het buitengebied ten laste worden gebracht van de Reserve Rioleringen, houdt verband met de gesloten financieringswijze waarvoor in de gemeente is gekozen. Op deze wijze wordt de financieringsbehoefte op centraal niveau binnen de gemeente in beeld gebracht. Centrale financiering is vanwege de betere onderhandelingspositie die dit voor de gemeente oplevert, goedkoper dan financiering door elk onderdeel van de gemeente afzonderlijk. Anders dan belanghebbende blijkbaar veronderstelt worden de bedoelde uitgaven niet rechtstreeks als kosten van de riolering in aanmerking genomen. Slechts de jaarlijkse aflossings- en renteverplichtingen in verband met de door een centrale dienst te sluiten leningen, welke aan de riolering zijn toe te rekenen, worden als rioleringskosten aangemerkt. Op deze wijze worden, aldus de Ambtenaar, geen kosten toegerekend van investeringen welke eerst in de toekomst zullen plaatsvinden. De gemeente maakt derhalve geen oneigenlijk gebruik van de Reserve Rioleringen en brengt door middel van de rioolrechten geen toekom-stige kosten in rekening. Afgezien van het voorgaande is bij de investeringen in de zogenoem-de bergbezinkbassins naar het oordeel van de Ambtenaar geen sprake van uitbreidingsinveste-ringen, maar slechts van investeringen ter verbetering van de functionaliteit van het bestaande rioolstelsel.
Het Hof komt op basis van de stukken en hetgeen door partijen is aangevoerd tot de conclusie dat ook met betrekking tot het derde geschilpunt het gelijk aan de Ambtenaar is. Het stand-punt van belanghebbende berust klaarblijkelijk op een onjuiste interpretatie van de feiten. De Ambtenaar heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd voldoende aannemelijk gemaakt, dat de gemeente geen oneigenlijk gebruik maakt van de Reserve Rioleringen en door middel van de rioolrechten geen toekomstige kosten in rekening brengt. Of investeringen in bergbezinkbas-sins als uitbreidingsinvesteringen moeten worden aangemerkt kan hierbij in het midden blijven.
DATUM:
16 maart 2005
ECLI:
ECLI:NL:GHARN:2005:AT1899
ZAAKNUMMER:
02/02675
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem
