Rioolrechten; Heffing niet in strijd met gelijkheidsbeginsel
Aan X is een aanslag rioolafvoerrecht voor 2001 opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Lochem. X is eigenares en gebruikster van een onroerende zaak. Haar was eerder een aanslag opgelegd voor de ten onrechte als één geheel afgebakende onroerende zaak. Deze aanslag is bij beschikking herroepen. Ten eerste is in geschil of de onderhavige aanslag als tweede primitieve aanslag voor hetzelfde jaar en dezelfde onroerende zaak nietig is. Het Hof overweegt dat sprake bleek te zijn van drie zelfstandige gedeelten in plaats van één geheel en dat de drie zelfstandige gedeelten aanvan-kelijk onterecht tezamen als één geheel waren aangemerkt. Deze eerdere aanslag betrof een onjuist afgebakend en daardoor rechtens niet-bestaand object waarvoor niemand belasting-plichtig kon zijn. Met het opleggen van die aanslag kon dan ook de bevoegdheid tot heffing van het rioolafvoerrecht voor het onderhavige jaar voor het juist afgebakende object niet zijn uitgeput. De tweede aanslag is volgens het Hof niet nietig.
Ten tweede is in geschil of het buiten de heffing van het aansluitrecht laten van eigendommen in het buitengebied een schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert. Het Hof is van oordeel dat de eigendommen in het buitengebied van waaruit afvalwater wordt geloosd op bermsloten langs gemeentelijke wegen en de eigendommen die zijn aangesloten op het rioolbuizenstelsel voor de toepassing van de Verordening en voor de heffing van het aansluitrecht niet als gelijke gevallen moeten worden aangemerkt. Afgezien van het antwoord op de vraag of in het onderhavige geval staande gehouden kan worden dat de eigendommen van waaruit een deel van het afvalwater wordt geloosd in de bedoelde bermsloten, zijn “aangesloten” op de gemeentelijke riolering, is het Hof met verweerder van oordeel dat de bermsloten qua functionaliteit onvergelijkbaar zijn met het rioolbuizenstelsel. Het Hof slaat hierbij tevens acht op het feit dat de kosten van onderhoud van de bermsloten door de gemeente niet door middel van de onderhavige rioolrechten worden verhaald. Om die reden is er geen schending van het gelijkheidsbeginsel.
Ten derde is in geschil of het buiten de heffing van het afvoerrecht laten van de eerste 500 m³ afgevoerd water een schending van het gelijkheids- althans evenredigheidsbeginsel oplevert.
Het Hof behandelt dit geschil aan de hand van de overwegingen die de Hoge Raad heeft gedaan in zijn arresten van 10 december 2004, nrs. 36 776, 36 804 en 38 291 (Belastingblad 2005, blz. 66, 70 en 80), en van 13 mei 2005, nr. 38 402 (Belastingblad 2005, blz. 647).
Het Hof overweegt dat de gemeente bij de toerekening van kosten aan de grote lozers een redelijke maatstaf heeft gehanteerd. Anders dan belanghebbende in de van haar afkomstige stukken heeft betoogd, is de gemeente in het licht van de onderhavige uitspraken van de Hoge Raad niet gehouden tot een andere wijze van kostentoedeling dan door haar is toegepast. Derhalve is er geen schending van het gelijkheids- en/of evenredigheidsbeginsel.
Tot slot is in geschil of het ten laste van de Reserve Rioleringen brengen van lasten voor investeringen zoals de nieuwe aanleg in het buitengebied en de aanleg van bergbezinkvoorzie-ningen tot onverbindendheid van het tarief van het afvoerrecht leidt.
Het Hof komt tot de conclusie dat het standpunt van belanghebbende klaarblijkelijk op een onjuiste interpretatie van de feiten berust.. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de gemeente geen oneigenlijk gebruik maakt van de Reserve Rioleringen en door middel van de rioolrechten geen toekomstige kosten in rekening brengt. Of investeringen in bergbe-zinkbassins als uitbreidingsinvesteringen moeten worden aangemerkt kan hierbij in het midden blijven. Derhalve leidt dit niet tot onverbindendheid van het tarief van het afvoerrecht. Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
DATUM:
02 december 2005
ECLI:
ECLI:NL:GHARN:2005:AU8624
ZAAKNUMMER:
02/03311
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem
