Parkeerbelasting; geen reden te twijfelen aan de juistheid van de overgelegde begrotingen

Belanghebbende stelt dat de door de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag in rekening gebrachte kosten te hoog zijn, omdat de perceptiekosten en de personeelskosten die zijn toe te rekenen aan bezwaar en administratie niet mogen worden doorbelast.
De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar overgelegde begrotingen, waaruit blijkt dat de werkelijke kosten per naheffingsaanslag zijn geraamd op € 61,13 voor het jaar 2017 en voor 2018 op € 62,84. De in de begroting genoemde bedragen zijn te herleiden tot de in art. 2 lid 1 van het Bpb genoemde kostensoorten. Salariskosten voor bezwaar en administratie vallen volgens de rechtbank onder art. 2 lid 1 onderdeel e Bpb. De rechtbank oordeelt dat de in de begroting opgenomen kosten bij de bepaling van het op de voet van art. 234 lid 6 Gemeentewet in rekening te brengen bedrag in aanmerking genomen kunnen worden (vgl. Hof Den Haag, 5 april 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:954). Dat sprake is van een voorzichtige raming van het aantal op te leggen naheffingsaanslagen leidt niet tot een ander oordeel. De stelling van belanghebbende dat digitale handhaving in 2017 en 2018 al leidt tot lagere kosten heeft de heffingsambtenaar gemotiveerd weersproken. Verder acht de rechtbank geen sprake van het in aanmerking nemen van dubbele kosten, omdat de perceptiekosten anders dan belanghebbende stelt eenmaal worden meegenomen in de raming en niet samenhangen met oninbare aanslagen maar met instandhoudingskosten van het systeem.

 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.