Leges; heffing terecht gebaseerd op andere maatstaf dan de werkelijke kosten

Belanghebbende heeft bij de gemeente Tilburg een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van een hotel-restaurant met vergaderaccommodatie. De aanslag is gebaseerd op een bouwkostenbedrag van € 18.775.889 op grond van een Bouwkostentabel.
De heffingsambtenaar stelt in zijn hoger beroep dat de rechtbank hem in de gelegenheid had moeten stellen de Programmabegroting over te leggen. Het hof overweegt dat de Programmabegroting in zijn geheel (HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, onder 3.4.2) een op de zaak betrekking hebbend stuk is als bedoeld in art. 8:42 Awb. De heffingsambtenaar had dit reeds bij zijn verweerschrift in eerste aanleg dienen te overleggen. Dat belanghebbende al over de Programmabegroting en de jaarrekening beschikte, is niet van doorslaggevend belang, omdat art. 8:42 Awb er vooral ook toe dient ervoor te zorgen dat de (belasting)rechter over een compleet dossier beschikt.
Het hof oordeelt verder dat het feit dat de werkelijke bouwkosten ongeveer € 11.920.000 bedragen niet tot de conclusie kan leiden dat de Bouwkostentabel jegens belanghebbende onverbindend zou zijn. Het behoort tot de vrijheid van de gemeente de heffing te baseren op een andere maatstaf dan de werkelijke kosten. De omstandigheid dat bij de vaststelling (in maart) van de Legesverordening 2014-1 de geraamde baten zijn aangepast ten opzichte van de raming ten tijde van de Programmabegroting 2014 en de geraamde baten niet meer terug te voeren zijn op de begroting, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat aan deze bijgestelde raming voorbij zou moeten worden gegaan. Waar het om gaat, is dat de vastgestelde tarieven ten tijde van de vaststelling van de verordening onderbouwd en realistisch zijn geraamd. Voor de vraag of bij de ramingen de opbrengstlimiet in acht is genomen, dient inzicht te worden verschaft in de desbetreffende ramingen, waarbij dat inzicht niet alleen kan worden verschaft op basis van de gemeentelijke begroting, maar ook op basis van andere gegevens.
Belanghebbende heeft haar twijfel geuit over de opslag voor indirecte kosten en overhead van 79% voor de bouwleges. Zij wijst erop dat in de Jaarrekening de overheadkosten 19,6% bedragen. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat de gemeente gecentraliseerd werkt, waardoor voor de ‘lasten ter zake van’ de bouwleges kosten van andere afdelingen, die niet onder de afdeling dienstverlening vallen, moeten worden toegerekend aan de behandeling voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. De overheadkosten van 19,6% zien op overhead, bezien vanuit het perspectief van de gehele gemeente, terwijl, zo begrijpt het hof, voor de toerekening van kosten aan de bouwleges de directe programmakosten gedeeltelijk aangemerkt moeten worden als indirecte kosten en overhead. Het hof acht de door de heffingsambtenaar gegeven verklaring voor het verschil aan overheadkosten aannemelijk. Het hoger beroep van de heffingsambtenaar is gegrond. 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.