Rioolheffing; heffingssysteem in essentie niet gewijzigd, geen overschrijding opbrengstlimiet
Belanghebbende (erflater) was eigenaar van twee woonhuizen die zijn aangesloten op het rioleringsstelsel van de gemeente Nijmegen. In geschil is of er sprake is van een onredelijke en willekeurige rioolheffing doordat de afschrijvingen van de vervangingsinvesteringen en verbeteringen van het rioleringsstelsel op een onjuiste manier worden opgenomen in het kostenoverzicht en de opbrengstlimiet daardoor wordt overschreden. Belanghebbende stelt dat sprake is van een dubbeltelling door nog niet gerealiseerde investeringen uit de vorige Gemeentelijke Rioleringsplannen mee te nemen, en vanwege de opgenomen post ‘Aanleg’ waardoor kosten worden meegenomen die niet toegelaten zijn omdat geen sprake is van vervanging of onderhoud.
Het hof overweegt dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het mogelijk blijft om onder de lasten mede op te nemen bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa. Het hof acht vervolgens aannemelijk dat het stelsel voor de onderhavige jaren 2010-2016 in essentie niet verschilt van het systeem dat van toepassing was voor de jaren 2006-2009. Het arrest van de Hoge Raad in 2015 (ECLI:NL:HR:2015:67) waarin beslist werd dat de handelwijze van de gemeente voor 2006 niet in strijd was met de geldende comptabiliteitsvoorschriften, behoudt zijn betekenis. Van het dubbel rekening houden met vóór 1 januari 2010 al geplande investeringen is geen sprake. Dit onderschrijft het gehanteerde uitgangspunt van het door de gemeente gehanteerde gesloten stelsel waarin alle gelden die door middel van aanslagen in de rioolheffing worden opgehaald, worden besteed aan de rioleringskosten, ook over de jaargrenzen van de elkaar opvolgende Gemeentelijke Rioleringsplannen heen. Het toegepaste financieringssysteem leidt als zodanig niet tot een overschrijding van de opbrengstlimiet. De geraamde kosten van de post ‘Aanleg’ kunnen worden aangemerkt als kosten van (toekomstige) verbeteringen en onderhoud van het bestaande rioleringsstelsel en mogen worden opgenomen onder de lasten ter zake. Het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht heeft verschaft en dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de opbrengstlimiet is overschreden. Ook de stelling dat de rioolheffing in strijd is met de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) slaagt niet. Het hoger beroep is ongegrond.
DATUM:
28 augustus 2018
ECLI:
ECLI:NL:GHARL:2018:7681
ZAAKNUMMER:
17/00022 t/m 17/00024
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
