Rioolheffing; verordening partieel onverbindend

Belanghebbende is een woningcorporatie en bij het begin van het belastingjaar 2013 genothebbende krachtens eigendom van de percelen ter zake waarvan de heffingsambtenaar van de gemeente Noorderveld aanslagen in de rioolheffing heeft opgelegd voor in totaal € 89.958,60. In geschil is of de opbrengstlimiet is overschreden en of de verordening in strijd is met de KRW.
Ten aanzien van de kosten van het onderhoud aan de schouwsloten heeft de heffingsambtenaar naar vermogen duidelijk gemaakt op grond waarvan hij de stellingen van belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is. Belanghebbende is er naar het oordeel van het hof op dit punt niet in geslaagd haar beroep op limietoverschrijding feitelijk te onderbouwen.
Ten aanzien van de post “Btw activa en exploitatie” stelt belanghebbende dat deze niet als last ter zake van de riolering kan worden aangemerkt. Het hof oordeelt dat dit wel het geval is. In het kader van de toetsing aan de opbrengstlimiet rekent de gemeente tot de begrote lasten ter zake van de riolering naast voornoemde kapitaallasten tevens de (berekende) uit het compensatiefonds te vorderen BTW over het totaal van de kapitaallasten met betrekking tot investeringen vanaf 1 januari 2003 (invoering BTW compensatiefonds). Voor het onderhavige jaar heeft zij de kapitaallasten toe te rekenen aan het jaar 2013 voor investeringen in de jaren 2003 tot en met 2012 vastgesteld op € 1.396.230 en hiervan 19% als BTW-compensatie aangemerkt en als last ter zake van de riolering in aanmerking genomen. Aldus neemt de gemeente niet slechts het gedeelte van de BTW-compensatie dat aan het jaar wordt toegerekend als jaarlijkse last in aanmerking, maar tevens een rentecomponent over het niet afgeschreven deel van die compensatie. Belanghebbende stelt dat art. 228a lid 3 Gemeentewet geen ruimte biedt voor het in aanmerking nemen van een dergelijk rente-element (verlies). Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 228a lid 3 Gemeentewet en van art. 229b Gemeentewet, waarin een vergelijkbare bepaling is opgenomen heeft de wetgever er expliciet voor gekozen te voorkomen dat er een lastenverschuiving plaats zou vinden van burgers naar lokale overheden, omdat de via het BTW-compensatiefonds te vergoeden BTW, zonder nadere regeling, de ‘lasten ter zake’ in de opbrengstlimiet zou verminderen waardoor gemeenten die een (vrijwel) kostendekkend tarief hanteren (mogelijk) hun tarieven zouden moeten verlagen. Het bepaalde in artikel 228a lid 3 Gemeentewet voorkomt dat. Hiermee heeft de wetgever de situatie van vóór de invoering van het BTW-compensatiefonds, waarin de BTW onderdeel uitmaakte van het geïnvesteerde bedrag, willen handhaven, met als resultaat dat de vanaf 1 januari 2003 gecompenseerde BTW voor de toetsing aan de opbrengstlimiet (fictief) tot de kostprijs van de investering of van de exploitatielast wordt gerekend. Dit brengt dan in het geval van een investering met zich dat, net als voor 1 januari 2003 het geval was en net zoals het geval is met het investeringsbedrag zelf, tevens rekening moet worden gehouden met een (eveneens fictieve) rentelast over de gecompenseerde BTW.
De post “Mutatie reserve” is niet in overeenstemming met de geldende comptabiliteitsvoorschriften en kan niet worden aangemerkt als een “last ter zake”. Na eliminatie van deze post uit de raming is de opbrengstlimiet met 3,37% overschreden en is de verordening ten aanzien van belanghebbende partieel onverbindend. 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.