Rioolheffing; partiële onverbindendheid en onderscheid tussen aantal WOZ-objecten en aantal in rioolheffing betrokken objecten
De heffingsambtenaar van Oostzaan heeft aan belanghebbende aanslagen rioolheffing opgelegd voor de jaren 2013, 2014 en 2015. Belanghebbende stelt dat de opbrengstlimiet is overschreden voor deze jaren. Daarnaast stelt belanghebbende dat sprake is van schending van de Kaderrichtlijn Water en van schending van het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank heeft ten aanzien van de overschrijding van de opbrengstlimiet geoordeeld dat de heffingsambtenaar naar behoren en in voldoende mate inzicht heeft verschaft in de ramingen van de baten en lasten in de gemeentebegroting voor zover deze de rioolheffing betreffen. Kosten van het vegen van wegen en perceptiekosten mogen worden meegenomen bij de geraamde lasten van de riolering. Dat op basis van de letterlijke tekst van de wet een dubbele heffing mogelijk was heeft volgens de rechtbank niet geleid tot een benadeling van de aangeslagen eigenaren. De heffingsambtenaar heeft gemotiveerd bestreden en toegelicht dat slechts sprake is van één belasting namelijk rioolheffing en dat slechts eenmaal per eigenaar wordt geheven op basis van de feitelijke situatie. Voor de inzameling, afvoer en verwerking van afvalwater enerzijds en de afvoer van hemelwater anderzijds hoeft geen afzonderlijke raming plaats te vinden van baten en lasten. De cijfermatige opstelling van de rechtbank leidt tot een overdekking van de geraamde lasten van 8,7% voor 2013. De Verordening is partieel onverbindend en de aanslag dient met dit percentage te worden verminderd. Voor 2014 en 2015 zijn de Verordeningen verbindend en zijn geen correcties nodig. Ten aanzien van de Kaderrichtlijn Water oordeelt de rechtbank dat het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3082) geen andere conclusie toestaat dan dat de heffingsambtenaar een juiste toepassing van het recht heeft gegeven of dat de beoordelingsmarge van de Kaderrichtlijn Water is overschreden. Ook de stelling van belanghebbende dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel in de vorm van een bewuste bevoordeling faalt bij het ontbreken van steun in de feiten. Anders dan belanghebbende stelt, moet naar het oordeel van de rechtbank bij het vaststellen van het aantal in de heffing te betrekken objecten niet worden uitgegaan van het aantal onroerende zaken dat als WOZ-objecten is vermeld. De heffingsambtenaar heeft met juistheid aangevoerd dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen het aantal in het bestand WOZ vermelde objecten enerzijds en het aantal objecten dat in de eigenarenheffing ter zake van de rioolheffing is betrokken anderzijds, nu de rioolheffing volgens de verordeningen rioolheffing niet per WOZ-object, maar per daarin omschreven perceel of zelfstandig gedeelte daarvan wordt geheven.
DATUM:
13 april 2018
ECLI:
ECLI:NL:RBNHO:2018:3156
ZAAKNUMMER:
17/4857, 17/4858 en 17/4859
INSTANTIE:
Rechtbank Noord-Holland
