Rioolheffing; geen sprake van inkomenspolitiek in strijd met de wet

Met ingang van 2015 heeft binnen de gemeente Nijmegen een lastenverschuiving plaatsgevonden, waarbij de lasten van de gebruikers (huurders) van woningen en van niet-woningen zijn gedaald, en die van eigenaren zijn gestegen. De tarieven voor de OZB en de rioolheffing voor eigenaren van niet-woningen zijn tussen 2014 en 2016 gestegen met bijna 73% en bijna 20%. Belanghebbende is van mening dat sprake is van (verkapte) inkomenspolitiek. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat de gemeenteraad kosten wil besparen bij het uitvoeren van belastingregelingen. Dat heeft ertoe geleid dat de afvalstoffenheffing en de OZB voor gebruikers zijn afgeschaft en de OZB voor eigenaren is verhoogd. Dit leidt tot meer eenvoud en minder belastingplichtigen, waardoor de uitvoeringskosten verminderen. De gemeenteraad heeft hierin ook een methode gezien om leegstand tegen te gaan. De totale opbrengst is niet hoger dan voorheen, aldus de heffingsambtenaar.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van inkomenspolitiek in strijd met de wet. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat aannemelijk is dat inkomenspolitiek een element is dat invloed heeft gehad op de keuzes van de gemeenteraad, maar dit is niet de primaire drijfveer voor de keuzes van de gemeenteraad geweest. De verordeningen zijn daarom niet in strijd met de wet. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat de OZB-opbrengst mede wordt gebruikt ter bestrijding van de kosten voor het inzamelen en verwerken van huishoudelijk afval. De afvalstoffenheffing is niet kostendekkend.
Naar het oordeel van de rechtbank kan, gegeven de vrijheid die de wetgever aan de gemeentebesturen heeft willen toekennen bij het bepalen van de tarieven, een tarief van 0,5947% van de WOZ-waarde in zijn algemeenheid niet als onredelijk worden beschouwd. Het feit dat Nijmegen een van de hoogste tarieven van Nederland hanteert, maakt dit niet anders en de procentuele stijging ten opzichte van vorige jaren evenmin. In zijn algemeenheid is daarom geen sprake van een willekeurige of onredelijke heffing. Ook in het geval van belanghebbende leidt het tarief naar het oordeel van de rechtbank niet tot een willekeurige of onredelijke heffing. Een bedrag van ruim € 1.900 is weliswaar hoog, maar niet buitensporig. Daarbij weegt de rechtbank mee dat belanghebbende een huur van circa € 32.500 per jaar ontvangt en na aftrek van kosten een positief rendement overhoudt.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.