Rioolheffing; na verwijzing geen strijd met de opbrengstlimiet
De Hoge Raad heeft in de eerste cassatieprocedure geoordeeld dat de keuze van de gemeente om rioolheffing aan te sluiten bij de afbakeningsregels van de Wet WOZ geoorloofd was. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen voor behandeling van de overige stellingen van X (nieuws-service 2016, week 45). Na verwijzing heeft het hof overwogen dat het aanvaardbaar is dat een gemeente een reserve of voorziening vormt voor de egalisatie van toekomstige uitgaven aan het bestaande rioleringsstelsel en ter voorkoming van fluctuaties van de tarieven. De door X opgeworpen twijfel hierover is ongegrond. Verder heeft de heffingsambtenaar met zijn verwijzing naar het Baggerplan en het vGRP-rapport en met de toelichting op het maaien en op het beheer door het waterschap, nader inzicht en inlichtingen verschaft dat en waarom de gemeente de baggerkosten, de onderhoudskosten voor oevers en vaarwegen en de maaikosten heeft gemaakt voor de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater. Hiermee is voldoende toegelicht welke kosten zijn toegerekend en welke keuzes zijn gemaakt voor de toerekening daarvan. De heffingsambtenaar is niet verplicht inlichtingen te geven over de daadwerkelijke kosten van baggeren of oeverbescherming en hoeft evenmin de jaarrekening van de gemeente te overleggen.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO ongegrond.
DATUM:
20 september 2019
ECLI:
ECLI:NL:HR:2019:1373
ZAAKNUMMER:
18/05523
INSTANTIE:
Hoge Raad
