Afvalstoffenheffing; kosten indien beheer van huishoudelijke afvalstoffen op een goedkopere wijze was ingericht zijn niet van belang

In hoger beroep heeft belanghebbende betoogd dat het niet-gescheiden inzamelen en verwerken van gft-afval door de gemeente Rotterdam duurder is en dus tot hogere tarieven van de afvalstoffenheffing leidt dan het gescheiden inzamelen en verwerken, waardoor er een onredelijke en willekeurige belastingheffing is.
Het hof stelt voorop dat het niet bevoegd is te oordelen over de wijze waarop de gemeente het beheer van huishoudelijke afvalstoffen heeft ingericht. Voor zover belanghebbende het standpunt inneemt dat bij de beantwoording van de vraag of de opbrengsten van de afvalstoffenheffing de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de verwijdering van huishoudelijke afvalstoffen hebben overschreden, niet moet worden uitgegaan van de werkelijk door de gemeente gemaakte of geraamde kosten maar van de kosten die de gemeente zou hebben gemaakt of geraamd indien zij het beheer van deze stoffen op een andere, goedkopere wijze had ingericht, volgt het hof belanghebbende daarin niet. Noch in de tekst van artikel 15.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer noch in doel en strekking van de afvalstoffenheffing is naar het oordeel van het hof een aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat de opbrengst van de afvalstoffenheffing niet hoger mag zijn dan de – fictieve – kosten die voor de gemeente verbonden zouden zijn geweest aan een ander dan het werkelijke beheer van huishoudelijke afvalstoffen. Met betrekking tot het standpunt van belanghebbende dat er een onredelijke of willekeurige belastingheffing is, is het hof van oordeel dat de heffingsambtenaar, binnen de grenzen van de Verordening, gebruik maakt van een objectieve maatstaf die in voldoende mate in relatie staat tot het belastbare feit. Dat de gehanteerde heffingsmaatstaf er toe leidt dat – zoals belanghebbende betoogt – van belanghebbende meer afvalstoffenheffing wordt geheven dan van inwoners woonachtig in andere gemeenten in Nederland leidt in casu niet tot een onredelijke of willekeurige belastingheffing. Daarbij neemt het hof in aanmerking de niet weersproken verklaring van de heffingsambtenaar dat de gehele opbrengst van de afvalstoffenheffing wordt aangewend om de kosten van het inzamelen en verwerken van het huishoudelijke afval te dekken en dat de praktijk uitwijst dat niet alle kosten met de opbrengst kunnen worden gedekt. Voor zover belanghebbende betoogt dat de heffing in strijd is met het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, faalt dit. Het hof is van oordeel dat bij een bedrag van € 372,50 op jaarbasis niet gesproken kan worden van een ‘inidividual and excessive burden’ en daardoor geen sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op het eigendomsrecht.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.