Rioolrecht; niet aannemelijk dat te hoge afschrijvingen in aanmerking zijn genomen

Tot en met 2005 werden de rioleringskosten in de gemeente Nijmegen voor ongeveer de helft gedekt uit de algemene middelen. Nadat met ingang van 2006 de OZB-gebruikersheffing kwam te vervallen, streeft de gemeente met het rioolrecht een volledige kostendekking na. Belanghebbende voert dezelfde grieven aan als in de procedure voor 2006 en stelt dat het arrest uit 2015 (ECLI:NL:HR:2015:67) voor dit jaar niet moet worden gevolgd, omdat de Hoge Raad in die procedure feitelijk onjuist is voorgelicht. Belanghebbende herhaalt zijn stelling dat, in strijd met de geldende (gemeentelijke en landelijke) regelgeving, de vervangingsinvesteringen en de verbeteringen in één keer als last ter zake van de rioolheffing in aanmerking worden genomen in plaats van de voorgeschreven afschrijving in 40 jaar. Belanghebbende stelt dat de gemeente in werkelijkheid niet een stelsel van een zogenoemd ideaalcomplex hanteert en dat geen sprake is van onttrekkingen uit het schommelfonds. Uit de begrotingsstukken blijkt dat het schommelfonds ultimo 2012 inmiddels is opgelopen tot € 51.114.000. De heffingsambtenaar heeft aangegeven op welke wijze de vervangingsinvesteringen en de verbeteringen, alsmede de stortingen in en onttrekkingen aan het schommelfonds in de boekhouding van de gemeente, en daarmee in de jaarrekening worden verwerkt. Dit is overeenkomstig de voorschriften uit het arrest van 2015 en krijgt jaarlijks de goedkeuring van de toezichthoudende provincie en de gemeentelijke accountants. De stand van het schommelfonds, waarnaar belanghebbende verwijst, is een foute vermelding in een toelichting. De heffingsambtenaar stelt verder dat de Accountantskamer het beroep van belanghebbende tegen de accountants van de gemeente ongegrond heeft verklaard.
Het hof overweegt dat, naar de bedoeling van de gemeenteraad, de gemeente streeft naar een situatie waarin het ideaalcomplex wordt benaderd en dat door middel van een schommelfonds wordt getracht pieken en dalen in de lasten ter zake van het rioolrecht te vermijden om grote tariefschommelingen te voorkomen. Dat een dotatie aan een schommelfonds van € 2.051.814 noodzakelijk is voor het bereiken van de gewenste tariefegalisatie heeft belanghebbende niet bestreden. Aldus resteert een (veel) lagere stand van het schommelfonds dan belanghebbende aanvoert. Het hof acht dat temeer aannemelijk, omdat uit de stelling van belanghebbende zou volgen dat, naast de dotaties aan het schommelfonds die zijn opgenomen in de berekening van het rioolrecht de afschrijvingslasten van de vervangingsinvesteringen en de verbeteringen die ineens zijn afgeschreven, ten laste van de algemene middelen zouden zijn gebracht. Gesteld noch gebleken is echter dat de begrotingen in dergelijke lasten hebben voorzien. Het hof is van oordeel dat het vaststellen door de gemeenteraad van de begroting en de jaarrekening van de gemeente impliciet inhoudt dat de gemeenteraad heeft goedgekeurd dat de lasten ter zake van de afschrijvingen van vervangingsinvesteringen en verbeteringen van de bestaande riolering in aanmerking worden genomen door het doteren aan en het afboeken van het schommelfonds. Een afzonderlijk en expliciet daartoe door de gemeenteraad genomen besluit is niet noodzakelijk.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.