Leges; verordening gemeente Groningen verbindend
Belanghebbende stelt dat de legesopbrengsten ten onrechte te laag zijn geraamd. Het hof dient aldus de vraag te beantwoorden of de gemeente de legesopbrengsten in redelijkheid niet op dat bedrag (€ 6.984.000) heeft kunnen ramen.
Het hof overweegt dat vooropgesteld dient te worden dat de prognose van het aantal bouwaanvragen en de daarbij behorende bouwsommen naar haar aard met veel onzekerheid omgeven zijn. Bij die prognose mag geen zekerheid of een volledig inzicht worden verlangd ten aanzien van het te verwachten aantal aanvragen en de bijbehorende bouwsommen. Verder brengt dit mee dat een gemeente die voorzichtigheid betracht bij het ramen van legesopbrengsten, niet kan worden tegengeworpen dat zij die opbrengsten te pessimistisch heeft geschat (HR 4 april 2014, nr. 12/05118, ECLI:NL:HR:2014:780). De gemeente gaat bij haar raming van de legesopbrengsten uit van een vijfjaarsgemiddelde, waarbij de legesopbrengsten van bouwprojecten met een bouwsom van meer dan € 8.000.000 ook zijn meegenomen.
Met de rechtbank (nieuwsservice 2013, week 27) is het hof van oordeel dat de door de gemeente gekozen ramingsmethodiek, een acceptabele wijze van ramen is. Met name acht het hof van belang dat de gemeente, op het moment dat het haar duidelijk werd dat vanaf het jaar 2006 het gerealiseerde resultaat op de bouwleges fors positief was, bij het vaststellen van de primitieve begroting in augustus 2007 rekening heeft gehouden met een ophoging van het vijfjaarsgemiddelde. Dit is gebeurd aan de hand van een inschatting van het bedrag waarmee in 2008 de inkomsten in de hoogste legescategorie het gemiddelde in die categorie te boven zou gaan. Dat desondanks de gerealiseerde bouwleges hoger waren doet aan de redelijkheid van die ramingsmethodiek niet af. Dat door het hanteren van het vijfjaarsgemiddelde de stijging van tarieven en bouwkosten vertraagd worden geraamd doet hier niet aan af. Substantiële verschillen tussen de gerealiseerde opbrengsten en de gerealiseerde ‘lasten ter zake’ worden geëgaliseerd. Dit gebeurt door de ‘meeropbrengsten’ van de jaren waarin de gerealiseerde opbrengsten van de bouwleges de gerealiseerde ‘lasten ter zake’ substantieel overschrijden toe te voegen aan de Algemene Egalisatiereserve Concern en/of de Egalisatiereserve bouwleges en in jaren waarin de opbrengsten van de bouwleges substantieel achterblijven bij de ‘lasten ter zake’, de “minderopbrengsten” uit (één van) de reserves te dekken. Met deze wijze van ramen en egaliseren is geen sprake van het structureel te laag ramen van de bouwlegesopbrengsten. De vraag of er toevoegingen zijn aan of onttrekkingen zijn uit het Algemene Egalisatiereserve Concern is in dit verband niet relevant. Evenmin is relevant waaraan eventuele onttrekkingen worden besteed.
DATUM:
30 september 2014
ECLI:
ECLI:NL:GHARL:2014:7455
ZAAKNUMMER:
13/00726
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
