Leges; eindbeslissing na arrest Hof van Justitie, heffing voor uittreksel GBA

Belanghebbende heeft de gemeente Maastricht gevraagd welke gegevens waren opgenomen in de GBA over 2008 en 2009. De gemeente heeft hierop een gewaarmerkt afschrift verstrekt uit de GBA. De heffingsambtenaar heeft € 12,80 aan leges geheven. Het hof is van oordeel dat de Wet GBA een bijzondere openbaarheidsregeling is met een uitputtend karakter. Gelet hierop faalt de stelling van belanghebbende, dat haar verzoek dient te worden aangemerkt als een verzoek op basis van de WOB. Naar het oordeel van Hof Den Bosch valt de verstrekking van persoonsgegevens onder de reikwijdte van de Europese richtlijn betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. Het hof heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht om een prejudiciële beslissing (nieuwsservice 2012, week 45). Het HvJ verklaart voor recht dat artikel 12, sub a, van richtlijn 95/46/EG in die zin moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat voor de verstrekking van persoonsgegevens door een overheidsinstantie kosten in rekening worden gebracht. Verder moet artikel 12, sub a, van richtlijn 95/46 in die zin worden uitgelegd dat, om te waarborgen dat de ter zake van de uitoefening van het recht van toegang tot persoonsgegevens in rekening gebrachte kosten niet bovenmatig zijn in de zin van deze bepaling, het bedrag ervan niet mag uitgaan boven de kostprijs van de verstrekking van die gegevens. Het hof moet dus nog onderzoeken of het aan belanghebbende in rekening gebrachte bedrag van € 12,80 niet meer dan kostendekkend is.
De heffingsambtenaar heeft aangegeven dat het arrest van het HvJ hem geen aanleiding geeft voor een reactie. Hierna heeft belanghebbende gesteld, dat getoetst dient te worden of de leges de kostprijs niet te boven gaan. Na deze reactie heeft de heffingsambtenaar slechts ermee ingestemd dat een zitting achterwege blijft. Gelet op deze gang van zaken is het hof van oordeel, dat de heffingsambtenaar niet heeft gesteld, dat de geheven leges niet uitgaan boven de kostprijs van de verstrekking van de persoonsgegevens van belanghebbende uit de GBA, laat staan dat hij dienaangaande feiten en omstandigheden heeft gesteld en aannemelijk gemaakt. Hieruit volgt dat niet aannemelijk is geworden dat de leges van € 12,80 niet uitgaan boven de kostprijs van de verstrekking van de persoonsgegevens van belanghebbende uit de GBA. Het hof vernietigt de schriftelijke kennisgeving (vgl. HR 1 oktober 1958, 13 714, BNB 1958/305 en 16 november 1960, 14 383, BNB 1961/39).

 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.