Rioolheffing; kosten onderhoud schouwsloten en rente over het niet afgeschreven deel van de investeringen inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting verhaalbaar
De heffingsambtenaar van de gemeente Noordenveld heeft aan belanghebbende, een woningcorporatie, aanslagen rioolheffing opgelegd. Voor het hof was in geschil of de verordening onverbindend is, omdat de posten “schouwsloten” en “BTW activa en exploitatie” (de rentecomponent van € 190.770) ten onrechte als lasten in de ramingen zijn opgenomen en het schrappen van die posten tot gevolg heeft dat de geraamde baten de geraamde lasten overtreffen. De gemeente rekent investeringen in de riolering voor de daarvoor betaalde bedragen exclusief omzetbelasting tot de activa. In het begrotingsjaar worden de aan dat jaar toe te rekenen afschrijving op de investeringen en een bedrag aan rente over het nog niet afgeschreven deel van die investeringen als kapitaallasten verantwoord. Naast deze kapitaallasten rekent de gemeente voor de toetsing aan de opbrengstlimiet van art. 228a Gemeentewet tevens de (berekende) uit het compensatiefonds te vorderen btw over het totaal van de kapitaallasten met betrekking tot investeringen vanaf 1 januari 2003 (invoering BTW-compensatiefonds) tot de begrote lasten ter zake van de riolering. Voor het onderhavige jaar heeft zij de kapitaallasten voor investeringen in de jaren 2003 tot en met 2012 vastgesteld op € 1.396.230 en hiervan 19 procent, ofwel € 265.284, als btw-compensatie aangemerkt en als last ter zake van de riolering in aanmerking genomen. Aldus heeft de gemeente niet slechts het gedeelte van de btw-compensatie dat aan het jaar wordt toegerekend als jaarlijkse last in aanmerking genomen, maar tevens een rentecomponent over het niet afgeschreven deel van die btw-compensatie. Tussen partijen is niet in geschil dat die rentecomponent btw € 190.770 bedraagt.
De Hoge Raad overweegt dat de eerste twee middelonderdelen welke betogen dat de kosten voor onderhoud van de schouwsloten niet verhaald mogen worden, falen. De rioolheffing kan onder meer worden geheven ter dekking van kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (art. 228a lid 1 sub b Gemeentewet). Het hof heeft aannemelijk geacht dat de kosten van onderhoud van de schouwsloten mede zijn gemaakt in verband met de gemeentelijke zorgplicht voor hemelwater. In dit oordeel ligt besloten dat die kosten meer dan zijdelings verband houden met de riolering, zodat zij (geheel of ten dele) via de rioolheffing mogen worden verhaald. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0990) en is niet onbegrijpelijk.
Het derde middelonderdeel, dat betoogt dat tot de lasten ter zake waarvan de rioolheffing wordt geheven niet mag worden gerekend rente over nog niet als afschrijving in aanmerking genomen btw, omdat op investeringen drukkende btw direct wordt terugontvangen via het BTW-compensatiefonds, faalt. De Hoge Raad overweegt dat gemeenten voor de invoering van de Wet op het BTW-compensatiefonds voor de berekening van kapitaallasten in verband met investeringen in riolering, in de gemeentelijke begroting mochten uitgaan van het investeringsbedrag inclusief de over die investeringen verschuldigde omzetbelasting. Met art. 228 lid 3 Gemeentewet heeft de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis beoogd de gemeenten in staat te stellen voor de berekening van de lasten ter zake waarvan de rioolheffing wordt geheven een ten opzichte van de situatie voor invoering van de Wet op het BTW-compensatiefonds ongewijzigde methodiek te hanteren. Dus stond het de gemeente vrij om rente over het niet afgeschreven deel van de investeringen inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting te rekenen tot de kapitaallasten die via de rioolheffing kunnen worden verhaald.
DATUM:
21 juni 2019
ECLI:
ECLI:NL:HR:2019:1020
ZAAKNUMMER:
18/02941
INSTANTIE:
Hoge Raad
