Leges; na beantwoording prejudiciële vragen HvJ EU over toepassing Machtigingsricht-lijn en Dienstenrichtlijn moet verwijzing volgen
Het Hof van Justitie (HvJ) heeft voor recht verklaard dat art. 2 lid 2 onder c Dienstenrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat deze richtlijn niet van toepassing is op rechten die verschuldigd worden in verband met de rechten van de ondernemingen die elektronische- communicatienetwerken en -diensten mogen leveren, om kabels voor een openbaar elektronische-communicatienetwerk aan te leggen (Nieuwsservice 2018, week 6).
De Hoge Raad overweegt dat uit de verklaring voor recht volgt dat, anders dan de Hoge Raad heeft geoordeeld voorafgaand aan het stellen van de prejudiciële vragen, de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is op de aanleg door belanghebbende van een glasvezelnetwerk. Aan dat oordeel heeft het HvJ ten grondslag gelegd dat het opleggen van rechten die verschuldigd worden in verband met de rechten van de ondernemingen die elektronische-communicatienetwerken en –diensten mogen leveren om kabels voor een openbaar elektro-nisch-communicatienetwerk aan te leggen, een aangelegenheid is die valt onder de Machtigingsrichtlijn. Dit brengt mee dat de uitsluiting bedoeld in art. 2 lid 2 letter c Dienstenrichtlijn van toepassing is. De leges die van belanghebbende zijn geheven voor de aanleg van een glasvezelnetwerk, kunnen blijkens het oordeel van het HvJ worden getoetst aan art. 13 Machtigingsrichtlijn. Daaraan doet niet af dat de gemeente Amersfoort geen “nationale regelgevende instantie” (NRI) in de zin van art. 2 letter g Kaderrichtlijn is, aldus het HvJ, aangezien de mogelijkheid om vergoedingen te verlangen voor de rechten om faciliteiten op of onder openbaar of particulier eigendom te installeren, berust bij de “betrokken instantie” en niet bij de NRI. De leges zijn geheven ter zake van het genot van de door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte dienst die bestaat uit het in behandeling nemen van een aanvraag in verband met het verkrijgen van instemming omtrent tijdstip, plaats en werkwijze van uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in art. 5.4 lid 1 Telecommunicatiewet. De leges hebben in dit geval betrekking op werkzaamheden in verband met de aanleg van kabels in de zin van dat artikellid. De heffing heeft dus geen betrekking op het aanbieden van dat netwerk als bedoeld in art. 12 lid 1 letter a Machtigingsrichtlijn. Daardoor moet die heffing, zoals mede volgt uit de verklaring voor recht van HvJ, niet aan art. 12 maar aan art. 13 Machtigingsrichtlijn worden getoetst. Onjuist is dus het bestreden oordeel dat art. 12 Machtigingsrichtlijn van toepassing is.
Het subsidiaire middel herhaalt de in hoger beroep ingenomen stelling dat art. 2.3 van de samenwerkingsovereenkomst tussen belanghebbende en de gemeente eraan in de weg staat dat hogere leges worden opgelegd dan de daadwerkelijke met de instemmingsbesluiten gemoeide kosten. Na verwijzing moet op deze stelling alsnog worden beslist, met inachtneming van het volgende. Anders dan art. 12 Machtigingsrichtlijn, strekt de bevoegdheid van art. 13 niet uitsluitend ertoe (administratie)kosten te dekken, maar heeft zij ten doel een optimaal gebruik van deze faciliteiten te waarborgen. Het verwijzingshof zal nader moeten beoordelen of de door belanghebbende voor de aanleg van een glasvezelnetwerk geheven leges in overeen-stemming zijn met art. 13 Machtigingsrichtlijn.
DATUM:
30 november 2018
ECLI:
ECLI:NL:HR:2018:2199
ZAAKNUMMER:
13/03931
INSTANTIE:
Hoge Raad
