Markt- en Standplaatsengelden; opbrengsten en lasten zijn niet in de gemeentebegroting meegenomen
Belanghebbende exploiteert vanaf 1992 een verkoopwagen voor patat, snacks, ijs en frisdranken. Hiervoor heeft de heffingsambtenaar tot en met het jaar 2009 jaarlijks leges geheven. Het college heeft aan belanghebbende meegedeeld dat vanaf 2010 een standplaatsvergoeding verschuldigd is die niet alleen afhankelijk is van de tijdsduur van de vergunning, maar tevens van het aantal dagen per week dat gebruik wordt gemaakt van de vergunning. Het college merkt op dat voor standplaatshouders die meerdere dagen op eenzelfde standplaatslocatie staan de kosten zullen toenemen. Voor 2010 is de Verordening Markt- en standplaatsgelden 2010 vastgesteld. De heffingsambtenaar van de gemeente Westerveld heeft een bedrag van € 1.540 aan standplaatsengeld geheven. De aanslag was 778% hoger dan het bedrag van de in 2009 geheven leges ter zake van het verzoek om een standplaatsvergunning te verkrijgen. Het bezwaar hiertegen is ongegrond verklaard. De Rechtbank Assen heeft het beroep ongegrond verklaard. In geschil is of de Verordening onverbindend is wegens strijd met artikel 229b van de Gemeentewet. De heffingsambtenaar heeft verklaard dat de opbrengsten van de Verordening en de lasten ter zake niet in de gemeentebegroting zijn meegenomen. Dit betekent dat de heffingsambtenaar het vereiste inzicht niet heeft verschaft. De Verordening wordt onverbindend verklaard.
Het hof verklaart het hoger beroep gegrond.
DATUM:
15 mei 2013
ECLI:
ECLI:NL:GHARL:2013:CA0476
ZAAKNUMMER:
BK 11/00313
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
