Leges; instemmingsbesluiten voor werkzaamheden kabels en leidingen vallen niet onder EDR maar onder Machtigingsrichtlijn. Begrip ‘dienst’ EDR wordt ruim uitgelegd. Geen grensoverschrijdend belang noodzakelijk.
Het Europese Hof van Justitie (hierna: het EHvJ) heeft een aantal prejudiciële vragen beantwoord met betrekking tot de toepassing van de Europese Dienstenrichtlijn (hierna: EDR) in 2 gevoegde zaken van de gemeente Amersfoort en de gemeente Appingedam.
Casus inzake leges voor instemmingsbesluiten gemeente Amersfoort (C360/15)
Belanghebbende heeft in verband met de aanleg van een glasvezelnetwerk instemming van B&W verzocht omtrent tijdstip, plaats en werkwijze voor de uitvoering van de onder- en bovengrondse werkzaamheden. Voor de instemmingsbesluiten zijn diverse legesnota’s opgelegd. Belanghebbende stelt dat de legesnota’s in verband met de bepalingen van de EDR en/of de Machtigingsrichtlijn verlaagd moeten worden. Belanghebbende heeft hiertoe beroep ingesteld bij de Rechtbank Utrecht en vervolgens hoger beroep bij Hof Arnhem-Leeuwarden (nieuwsservice 2013, week 30). Het hof oordeelde dat de Machtigingsrichtlijn niet van toepassing is, maar de EDR wel. A-G IJzerman heeft in zijn conclusie de Hoge Raad in overweging gegeven het EHvJ te verzoeken om een prejudiciële beslissing te geven (nieuwsservice 2014, week 51). De Hoge Raad heeft vervolgens een aantal prejudiciële vragen aan het EHvJ gesteld over de reikwijdte van de EDR (nieuwsservice 2015, week 24). De Hoge Raad wil in de eerste plaats weten of de EDR überhaupt van toepassing is.
Het EHvJ merkt op dat geverifieerd moet worden of de onderhavige situatie niet valt onder een van de uitsluitingen bedoeld in art. 2 lid 2 EDR. Het EHvJ stelt in dit kader allereerst vast dat belanghebbende elektronische-communicatienetweken aanlegt in de zin van de Machtigingsrichtlijn. Omdat belanghebbende op grond van de Telecommunicatiewet gerechtigd is om kabels in de grond van de gemeente aan te leggen, mag de gemeente op grond van de Gemeentewet en de legesverordening aan belanghebbende leges in rekening brengen. Deze heffing van leges kan volgens het EHvJ worden gezien als een vergoeding die valt onder art. 13 Machtigingsrichtlijn. Art. 12 van die Richtlijn – m.b.t. het heffen van administratieve bijdragen ter dekking van de administratiekosten – is volgens het EHvJ niet aan de orde, omdat niet is gebleken dat de rechten die de gemeente van belanghebbende vordert, bestemd zijn om de administratiekosten te dekken die samenhangen met een of meer van de in art. 12 Machtigingsrichtlijn genoemde activiteiten. De conclusie dat de leges kunnen worden aangemerkt als een aangelegenheid die valt onder de Machtigingsrichtlijn zoals bedoeld in art. 2 lid 2, onder c EDR brengt mee dat de EDR niet van toepassing is op de geheven leges. Gelet hierop heeft het EHvJ de overige vragen niet meer beantwoord.
Casus inzake beperkende bestemmingsplanvoorschriften gemeente Appingedam (C-31/16)
Binnen het grondgebied van de gemeente Appingedam bevindt zich, buiten het bestaande winkelgebied van het stadscentrum, een zogeheten Woonplein, een winkelgebied met volumineuze detailhandel. In dat winkelgebied is detailhandel in onder meer meubelen, keukens, woninginrichting, doe-het-zelf-artikelen, bouwmaterialen, tuinartikelen en fietsen gevestigd. Belanghebbende wenst een pand te verhuren aan discountketen Bristol die schoenen en kleding verkoopt. De gemeenteraad heeft dit niet toegestaan op basis van overwegingen in verband met ruimtelijke ordening die rechtvaardigen dat detailhandel in schoenen en kleding zich enkel in het stadscentrum kan vestigen. Deze regel is gericht op het behoud van de leefbaarheid van het stadscentrum, te weten het goed functioneren van het winkelcentrum dat er zich bevindt en het zoveel mogelijk voorkomen van structurele leegstand in binnenstedelijk gebied. Belanghebbende heeft bij de Raad van State beroep ingesteld tegen het besluit van de gemeenteraad tot vaststelling van het bestemmingsplan voor zover de vestiging van detailhandel in schoenen en kleding niet wordt toegestaan. Belanghebbende voert aan dat het plan in strijd is met de artt. 9 en 10 (vergunningstelsel) van de EDR. De Raad van State heeft hierop het EHvJ een aantal prejudiciële vragen gesteld.
Het EHvJ geeft in deze uitspraak 2 belangrijke oordelen die ook relevant zijn voor de fiscaliteit. Allereerst oordeelt het EHvJ dat de verkoop van goederen, zoals schoenen en kleding, valt onder het begrip “dienst” van de EDR waardoor deze richtlijn op deze situatie van toepassing is.
Vervolgens heeft het EHvJ ten aanzien van de vraag over toepassing van de bepalingen van hoofdstuk III van de EDR geoordeeld dat deze zo moeten worden uitgelegd dat zij mede van toepassing zijn op een situatie waarvan alle relevante aspecten zich binnen één lidstaat afspelen. Een grensoverschrijdend belang hoeft er niet te zijn.
DATUM:
30 januari 2018
ECLI:
ECLI:EU:C:2018:44
ZAAKNUMMER:
C-360/15 en C-31/16
INSTANTIE:
Hof van Justitie van de EU
