Rioolheffing; verordening gemeente Nijmegen verbindend
De heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen heeft een aanslag rioolheffing opgelegd en het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft aangevoerd dat sprake is van een onredelijke en willekeurige belastingheffing omdat de tarieven enorm zijn gestegen doordat de vervangings- en verbeteringsinvesteringen door de gemeente ineens worden afgeschreven in plaats van periodiek.
De rechtbank overweegt dat de gemeente voor de verwerking van de vervangingsinvesteringen heeft gekozen voor het zogenoemde ideaalcomplex, waarbij de gemeente de vervangingsinvesteringen wel heeft geactiveerd, maar in hetzelfde jaar deze investering geheel is afgeboekt. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat een (deel van de) rioolheffing wordt gedoteerd aan een voorziening, welke in datzelfde jaar wordt gebruikt bij daadwerkelijke investeringen in het riool. Uit de voorziening wordt dan afgeboekt op de gedane investering.
Naar het oordeel van de rechtbank is de keuze van de gemeente om vervangingsinvesteringen te verwerken volgens het zogenoemde ideaalcomplex niet in strijd met het BBV. Dat geen verplichting bestaat om te activeren betekent, gelet op artikel 59, vierde lid, van het BBV, niet dat niet kan worden gekozen voor deze methode van activeren en afboeken. De rechtbank deelt niet het standpunt van belanghebbende dat de gemeente niet voldoet aan het ideaalcomplex en dat het BBV in de weg staat aan het afboeken van een dotatie aan een voorziening in hetzelfde jaar als waarin deze dotatie is gedaan. Nu uitsluitend uit de voorziening wordt afgeboekt op de vervangingsinvestering, is geen sprake van strijd met het oordeel van de Hoge Raad (6 januari 2012, LJN BR0676), dat de rioolheffing niet op het bedrag van de investering mag worden afgeboekt. Evenmin is sprake van strijd met de gemeentelijke Richtlijn waardering en afschrijving activa, nu na afboeking van de voorziening, geen af te schrijven bedrag resteert.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat, ook indien de investeringen in het riool als investeringen met economisch nut moeten worden aangemerkt, waarvoor een verplichting tot activeren bestaat, met deze manier om vervangingsinvesteringen te verwerken, wordt voldaan aan het BBV. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de heffingsambtenaar dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de baten uitgaan boven de geraamde kosten. Uit de overgelegde primitieve begroting 2009-2012, jaarsnede 2009, blijkt dat de lasten voor 2009 inclusief BTW zijn geraamd op € 16.206.146. De baten voor het jaar 2009 zijn eveneens geraamd op € 16.206.146. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gemeente Nijmegen, zoals hiervoor overwogen, de dotaties aan de voorzieningen tot de lasten mocht rekenen. De rechtbank deelt niet het standpunt van belanghebbende dat de heffingsambtenaar met het overleggen van deze gegevens uit de primitieve begroting niet aan zijn bewijslast heeft voldaan. Gebleken is immers dat de primitieve begroting de begroting is, zoals die is vastgesteld door de gemeenteraad voorafgaand aan het begrotingsjaar, inclusief de begrotingswijzigingen waarover de gemeenteraad separaat heeft besloten tussen het moment van het opstellen van de (stads)begroting en 1 januari van het begrotingsjaar. De heffingsambtenaar heeft desgevraagd verklaard dat het door belanghebbende geconstateerde verschil tussen de stadsbegroting en de primitieve begroting het gevolg is van een besluit van de gemeenteraad tot het naar een lager bedrag vaststellen van de investeringen in het riool.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
DATUM:
07 maart 2012
ECLI:
ECLI:NL:RBARN:2012:BY9444
ZAAKNUMMER:
AWB 09/4983 en AWB 09/4984
INSTANTIE:
Rechtbank Arnhem
