Rioolrechten; BTW terecht als last beschouwd en geringe overschrijding opbrengstlimiet

De heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort heeft een aanslag rioolrechten opgelegd en het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. De Rechtbank Utrecht heeft het beroep ongegrond verklaard. In geschil is of de opbrengstlimiet is overschreden.
De stelling van belanghebbende dat heffing naar WOZ-waarde een verboden heffing naar draagkracht inhoudt, is ongegrond omdat bij de vaststelling van die waarde niet eerst de draagkracht wordt bepaald en omdat een hoge WOZ-waarde niet per definitie staat voor een grotere draagkracht. De stelling van belanghebbende dat de heffing van gedifferentieerde tarieven tussen woningen en niet-woningen willekeurig en onredelijk is, omdat de heffing niet is gerelateerd aan de mate van gebruik van het riool, is eveneens ongegrond. Artikel 229 van de Gemeentewet eist geen verband tussen de hoogte van het recht enerzijds en anderzijds de mate waarin van het gemeenteriool gebruik wordt gemaakt. De stelling is voorts in strijd met de bedoeling van de wetgever (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 77). Het Hof verwijst in verband hiermee naar het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2009.
Uit de begroting van baten en lasten 2006 volgt dat de geraamde baten de geraamde lasten met € 829.000 overtreffen. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat dit verschil voor een bedrag van € 803.000 is veroorzaakt door de BTW die niet in de begroting riool is opgenomen, maar die wel als last kan worden beschouwd. Het bedrag van € 803.000 aan BTW is gebaseerd op onderzoeksresultaten uit 2003. Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat slechts de omzetbelasting als last in aanmerking mag worden genomen naar het geraamde bedrag van de daadwerkelijke uitkering uit het Btw-compensatiefonds over dat jaar.
Het hof wijst dit standpunt af. Het systeem dat de gemeente hanteert, waarbij de geraamde BTW met betrekking tot de investeringen in de riolering wordt bepaald aan de hand van het bedrag dat aan de voorzieningen wordt toegevoegd, gaat uit van een verdeling van kosten en van BTW over de jaren waarin de investeringen nut afwerpen. Naar het oordeel van het hof staat niets eraan in de weg een dergelijk systeem te hanteren. De aard en hoogte van de geraamde kosten in 2006 zijn niet wezenlijk anders dan in 2003, zodat de gemeente heeft mogen uitgaan van het voor het jaar 2003 berekende bedrag aan compensabele BTW. De geraamde baten gaan met 0,3% uit boven de geraamde lasten. De tariefstelling is partieel onverbindend, de aanslag wordt met € 10 verminderd. Het hof verklaart het hoger beroep gegrond.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.