Rioolrecht; toerekening inningskosten
Belanghebbende heeft een aanslag rioolrecht 1998 opgelegd gekregen. In geschil is of, gelet op artikel 229b van de Gemeentewet (tekst 1998; hierna: de Wet), met betrekking tot de raming van baten en lasten het totaal van de rioleringslasten gesteld dient te worden tegenover het totaal van de baten van de beide in de Verordening opgenomen rioleringsrechten, en zo ja, of de baten de lasten ter zake overtreffen, dan wel of de lasten en baten per rioolrecht afzonderlijk in aanmerking dienen te worden genomen en of, zo dit laatste het geval is, de baten van althans het in artikel 2, eerste lid, onderdeel a van de Verordening bedoelde recht de lasten ter zake te boven gaan.
Blijkens de vastgestelde feiten kent de Verordening een tweetal rioolrechten, elk met een verschillend belastbaar feit. Op grond van artikel 229b van de Wet dienen de tarieven van de door een gemeente op de voet van artikel 229, eerste lid, onderdeel a van de Wet geheven rechten zodanig te worden vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet en meer in het bijzonder uit de Memorie van Toelichting en de Memorie van Antwoord blijkt dat aan de wetgever voor ogen heeft gestaan dat voor de antwoord op de vraag of voor in één verordening opgenomen heffingen is voldaan aan de in artikel 229b van de Wet gestelde voorwaarde, bepalend is dat de geraamde gezamenlijke opbrengst van die heffingen het totaal van de geraamde lasten, waarvoor deze heffingen tezamen dekking moeten bieden, niet te boven gaat. Indien aan bedoelde voorwaarde is voldaan, heeft de gemeente overigens, gelet op het bepaalde in artikel 219 van de Wet, een zekere vrijheid om te bepalen welk gedeelte van de totale geraamde lasten aan elk van de in één verordening opgenomen heffingen wordt toegerekend. Naar 's Hofs oordeel ziet deze vrijheid ook op de mate waarin zogenaamde vaste kosten aan elk van de heffingen worden toegerekend. Met betrekking tot de door de gemeente toegerekende posten " kosten van inning" van de beide heffingen en "rente over ten behoeve van de sanering van de riolering te verrichten investeringen" is niet in geschil dat deze posten als zodanig als lasten, verband houdende met de riolering, hebben te gelden. Het Hof verenigt zich op dit punt met de standpunten van partijen. Belanghebbende heeft zijn bezwaar tegen de berekening van het bedrag van de kosten van inning ad f 563.730 laten vallen. Het Hof ziet geen reden om belanghebbende in zijn standpunt niet te volgen. Het bedrag van de toegerekende rente ad f. 223.400 sluit aan bij de in de door verweerder overgelegde bijlage Rendabele investeringen vermelde post investeringen in sanering van de riolering ad f. 3.437.000 en het daar vermelde rentepercentage van 6,5%. Het Hof ziet dan ook geen reden om de berekening van de post rente zoals door verweerder uitgevoerd (f. 223.400) niet te volgen.
DATUM:
15 december 2000
ECLI:
ECLI:NL:GHAMS:2000:AA9170
ZAAKNUMMER:
99/00947
INSTANTIE:
Gerechtshof Amsterdam
