Geen vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn

Belanghebbende heeft op 9 maart 2016 bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking van de gemeente Amsterdam. Hij verzoekt in zijn nader stuk en ter zitting in hoger beroep om vergoeding van immateriële schadevergoeding, omdat de procedure vanaf het indienen van het bezwaarschrift tot het doen van uitspraak door de rechtbank - 29 juni 2018 - in totaal 2 jaar en 4 maanden heeft geduurd.
Vaststaat dat de voor de toekenning van een vergoeding van immateriële schade in acht te nemen redelijke termijn van 2 jaar reeds was verstreken op het moment waarop de rechtbank het onderzoek heeft gesloten. Op 9 maart 2018 heeft belanghebbende kunnen verzoeken om vergoeding van immateriële schade, omdat er toen nog geen uitspraak was gedaan en de redelijke termijn was verstreken. De rechtbank heeft zich in haar uitspraak terecht niet uitgelaten over de (eventuele) overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van rechtsoverweging 3.13.3 van het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) geldt dat de duur van de totale procedure tot en met het doen van uitspraak door het hof mee in aanmerking moet worden genomen. Mitsdien kan een voortvarende behandeling van het hoger beroep ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg wordt gecompenseerd. Een dergelijke situatie doet zich hier voor. De totale procedure van het moment van indienen bezwaarschrift tot en met het doen van de onderhavige uitspraak van het hof heeft immers niet meer dan 4 jaren geduurd.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.