Leges; met het tarief van € 0,10 per fotokopie is de opbrengstlimiet niet overschreden
De heffingsambtenaar van de gemeente ’s-Hertogenbosch heeft een aanslag leges opgelegd van € 6,90 voor het verstrekken van 69 fotokopieën in verband met een Wob-verzoek. Belanghebbende stelt dat de aanslag ten onrechte is opgelegd, omdat hij de heffingsambtenaar geen schriftelijke toestemming heeft gegeven de kopieerkosten voor het verstrekken van de informatie op papier aan hem in rekening te brengen. Belanghebbende stelt telefonisch meegedeeld te hebben dat hij hiermee niet akkoord ging.
Uit de telefoonnotities blijkt dat belanghebbende door de medewerker van de gemeente gewezen is op de mogelijkheid de informatie kosteloos digitaal te ontvangen, maar dat bij toezending van de informatie op schrift een aanslag leges wordt opgelegd. Desondanks heeft belanghebbende verzocht om verstrekking van de informatie op schrift. Met het vervaardigen van kopieën van documenten in het kader van de uitvoering van een ingewilligd Wob-verzoek is een particulier belang gediend. Derhalve is er sprake van een dienst als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet en mogen de kosten daarvan aan belanghebbende in rekening worden gebracht (HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0693). De heffingsambtenaar heeft uitvoerig het legestarief van € 0,10 per fotokopie op A4-formaat toegelicht. Op basis hiervan is het hof van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat met het legestarief de zogenoemde opbrengstlimiet niet wordt overschreden. Ten slotte stelt belanghebbende dat in het verdrag van de Raad van Europa “on Acces to Official Document” (CETS No.:205), gesloten te Tromsø, is bepaald dat het niet is toegestaan om meer dan de daadwerkelijke kosten van de kopieën in rekening te brengen. Nederland heeft dit verdrag echter niet ondertekend noch geratificeerd. De stelling van belanghebbende treft derhalve geen doel.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond met toepassing van art. 81 RO.
DATUM:
25 maart 2016
ECLI:
ECLI:NL:HR:2016:483
ZAAKNUMMER:
15/02447
INSTANTIE:
Hoge Raad
