Leges; kruissubsidiëring na invoering Wabo nog steeds mogelijk
Voor het hof was in geschil of de gemeente Dantumadiel heeft voldaan aan het in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet gestelde vereiste dat de geraamde opbrengsten van de op basis van de Verordening geheven leges de geraamde lasten ter zake niet mogen overschrijden. Daarbij was met name in geschil of deze toets door de invoering van de Wabo moet plaatsvinden op basis van alleen de geraamde baten en lasten die betrekking hebben op de omgevingsvergunningen van de tweede titel van de Tarieventabel, dan wel op basis van het totaal van de geraamde baten en lasten van alle in de Verordening geregelde rechten. Het hof heeft overwogen dat invoering van de Wabo niet heeft geleid tot wijziging van artikel 229b van de Gemeentewet of invoering van een andere wettelijke bepaling, zodat voor de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden de kostendekkendheid op het niveau van de gehele Verordening dient te worden beoordeeld (nieuwsservice 2014, week 7).
De Hoge Raad overweegt dat het in het “Kabinetsplan aanpak administratieve lasten” genoemde uitgangspunt ten aanzien van kruissubsidiëring (Kamerstukken II, 2005/06, 29 515, nr. 140, blz. 25 26) niet heeft geleid tot wetgevende maatregelen. Ook is geen gebruik gemaakt van de in artikel 2.9, tweede lid, van de Wabo opgenomen bevoegdheid om nadere regels te stellen voor de toepassing van artikel 229b, eerste lid, letter b, van de Gemeentewet. Evenmin is die bepaling in de Gemeentewet zelf gewijzigd. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de beoordeling van de opbrengstlimiet ook thans nog moet plaatsvinden in het licht van hetgeen ondubbelzinnig uit de ontstaansgeschiedenis van die bepaling volgt, namelijk toepassing van de daarin neergelegde toets op 'het totaal van de geraamde baten van de rechten die in een verordening zijn geregeld, en het totaal van de geraamde lasten die de werkzaamheden meebrengen waarvoor deze rechten geheven worden' (HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AP1951).
DATUM:
13 februari 2015
ECLI:
ECLI:NL:HR:2015:282
ZAAKNUMMER:
14/00655
INSTANTIE:
Hoge Raad
