Leges; precisering uitgangspunten HR inzake stelplicht en bewijslastverdeling kostenon-derbouwing
Hof 's-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar van de gemeente Zundert niet concreet en cijfermatig is ingegaan op de stelling van belanghebbende over de onderbouwing naar aard en omvang van de kostenposten van de ‘lasten ter zake’. Aan het aanbod van de heffingsambtenaar ter zitting om alsnog meer inzicht te verstrekken in de cijfermatige gegevens is het hof voorbijgegaan. Naar het oordeel van het hof is sprake van een bewijsaanbod, onder de voorwaarde dat het hof een voorlopig oordeel geeft omtrent de waardering van het door partijen bijgebrachte bewijs. Ook is het aanbod volgens het hof te laat gedaan. Met hetgeen de heffingsambtenaar in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft hij de be-staande twijfel niet naar vermogen weggenomen en heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 229b van de Gemeentewet, aldus het hof (nieuwsservice 2012, week 17).
De Hoge Raad overweegt dat in die gevallen waarin de belanghebbende overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde heeft gesteld en de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van de heffingsambtenaar kan worden verlangd voor zover de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze functionaris naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de stelling(en) van de belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is. De zinsnede ‘teneinde - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen’ (HR 24 april 2009, nr. 07/12961, ECLI:NL:HR:2009:BI1968), houdt derhalve niet in dat de heffingsambtenaar moet bewijzen dat die twijfel ongegrond is. Voorts zij eraan herinnerd dat tot de ‘lasten ter zake’ niet alleen posten behoren die rechtstreeks samenhangen met de verleende diensten waarvoor de rechten worden geheven, maar dat daartoe ook behoren aan die diensten toe te rekenen indirecte kosten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat die indirecte kosten meer dan zijdelings met die diensten moeten samen-hangen. De desbetreffende kostenposten kunnen alleen dan niet als ‘lasten ter zake’ worden aangemerkt indien zij geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen (vgl. HR 4 juni 2010, nr. 08/00313, ECLI:NL:HR:2010:BL0990, BNB 2010/234). Ten slotte zij erop gewezen dat in het kader van de toetsing aan de opbrengstlimiet pas dan plaats is voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedragen aan opbrengsten en lasten, indien de gemeente deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen (vgl. HR 26 april 1989, nr. 25542, BNB 1989/242). Gelet hierop heeft het hof het ter zitting in hoger beroep gedane aanbod van de heffingsambtenaar tot het verstrek-ken van nadere inlichtingen niet mogen afwijzen op de daartoe gebezigde gronden.
DATUM:
04 april 2014
ECLI:
ECLI:NL:HR:2014:777
ZAAKNUMMER:
12/02475
INSTANTIE:
Hoge Raad
