Rioolrechten; reconstructie van raming van baten wordt verworpen; geen toerekening kosten GRP en BRP

De heffingsambtenaar van de gemeente Roosendaal heeft een aanslag rioolafvoerrecht opgelegd welke na bezwaar is gehandhaafd. De Rechtbank Breda heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag vernietigd. De heffingsambtenaar heeft hoger beroep ingesteld.
Ten aanzien van de geraamde opbrengst heeft de heffingsambtenaar een staatje gepresenteerd. Hij heeft gesteld dat aan de raming interne berekeningen ten grondslag liggen, dat 2 interne schattingen zijn geëxtrapoleerd en dat hij niet zeker weet van welke gegevens daarbij is uitgegaan. De heffingsambtenaar heeft verklaard dat ten tijde van de vaststelling van de verordening de raming van de baten en de tariefvaststelling zijn gebaseerd op gegevens, die niet (in het dossier) bewaard zijn gebleven en dat nadien die raming is gereconstrueerd met behulp van interne berekeningen op basis van eerdere gegevens, die zijn geëxtrapoleerd, en latere gegevens welke berekeningen niet zijn overgelegd.
Het hof overweegt dat het in strijd is met hetgeen met de opbrengstlimiet wordt beoogd om achteraf inzicht te geven in de raming van de baten op basis van gegevens die niet ten grondslag hebben kunnen liggen aan de vaststelling van de tarieven en die bovendien betrekking hebben op een ander tijdstip dan het tijdstip waarvoor de lasten zijn geraamd. Hieruit volgt dat de door de heffingsambtenaar aangedragen reconstructie van de raming van de baten dient te worden verworpen, omdat deze niet ten grondslag hebben kunnen liggen aan de raming. Ten aanzien van posten 'Gemeentelijk rioleringsplan' (GRP) en 'Basisrioleringsplan' (BRP) oordeelt het hof dat sprake is van een beleidsplan waarvan de kosten gelet op de wetsgeschiedenis niet verhaald kunnen worden door rechten. Verder heeft belanghebbende gesteld dat het verstrekken van gegevens zonder toelichting niet leidt tot inzicht in en een mogelijke controle op de ramingen. Volgens het hof mag van een zorgvuldig handelend bestuursorgaan worden verlangd dat alleen die lasten in aanmerking worden genomen die van een deugdelijke onderbouwing kunnen worden voorzien, zodat de heffing berust op inzichtelijke en controleer-bare gegevens en voor de belastingplichtige en de belastingrechter toetsing aan de opbrengst-limiet mogelijk is. De heffingsambtenaar heeft tegen beter weten in gehandeld door niettemin die posten in aanmerking te nemen. Het hof heeft geoordeeld dat de Verordening algeheel onverbindend is. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie afgedaan met toepassing van artikel 81 lid 1 RO.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.