Leges; opbrengstlimiet, toerekening overheadkosten, toetsing door belastingrechter

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 16 april 2010, LJN BM1236 (Nieuwsservice 2010, week 16), geoordeeld dat bij de beoordeling van de opbrengstlimiet niet van de gemeente mag worden verlangd dat zij van alle in de tarieventabel opgenomen diensten afzonderlijk op controleerbare wijze vastlegt hoe zij de kosten ter zake daarvan heeft geraamd, en het geschil verwezen naar het Gerechtshof Arnhem voor verder onderzoek. Het hof heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard (nieuwsservice 2011, week 25). Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad oordeelt dat het middel terecht opkomt tegen het oordeel van het hof dat de gemeenteraad in beginsel de vrije hand heeft in de toerekening van zogenoemde overhead-kosten aan de verschillende in de Verordening samengebrachte diensten, en dat aan de belastingrechter op dit punt geen toetsingsrecht toekomt. De beoordeling van een geschil omtrent mogelijke overschrijding van de opbrengstlimiet vindt plaats op basis van gegevens omtrent geraamde baten en lasten in de gemeentebegroting dan wel gegevens die op geraamde baten en lasten in die begroting zijn terug te voeren. Nu de gemeentelijke begroting als uitgangspunt dient voor de ramingen, gaat het er hier om of de toerekening van overheadkosten in die ramingen niet in strijd komt met de voor de gemeente geldende comptabiliteitsvoorschriften. Dit is een rechtsvraag die de belastingrechter bij een dergelijk geschil heeft te beantwoorden (zie HR 6 januari 2012, nr. 10/03677, LJN BR0689, BNB 2012/103). Dat de belastingrechter op dit punt geen toetsingsrecht toekomt, geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt derhalve voor zover het opkomt tegen het oordeel van het hof ten aanzien van de toerekening van overheadkosten. Ten aanzien van de overige in het middel opgesomde kosten geldt dat het hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar naar vermogen de door belanghebbende opgeworpen twijfel heeft weggenomen en dat belanghebbende, die de bewijslast draagt van haar stelling dat de door de heffingsambtenaar daartoe verschafte feitelijke gegevens onjuist zijn, in het van haar verlangde bewijs niet is geslaagd. Die oordelen gaan uit van een juiste verdeling van de stelplicht en de bewijslast (zie HR 24 april 2009, nr. 07/12961, LJN BI1968, BNB 2009/159) en kunnen overigens in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onvoldoende of onbegrijpelijk gemotiveerd. Het hof was niet gehouden afzonderlijk in te gaan op de kostenposten die belanghebbende opsomt. Het middel faalt derhalve voor het overige.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond en verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.