Bouwleges; overschrijding opbrengstlimiet, hof mocht bewijsaanbod passeren

De heffingsambtenaar van de gemeente Utrecht heeft aan belanghebbende € 66.699 aan bouwleges in rekening gebracht. De Rechtbank Utrecht heeft het beroep gegrond verklaard en de legesnota vernietigd. Het Gerechtshof Arnhem heeft het hoger beroep van de gemeente ongegrond verklaard.
Het hof heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de heffingsambtenaar met hetgeen hij in hoger beroep naar voren heeft gebracht, de bestaande twijfel - naar vermogen - heeft weggenomen. Voor zover het middelonderdeel het betoog inhoudt dat van een heffingsambtenaar niet mag worden verlangd dat hij naast inzicht in de aard van de in twijfel getrokken posten ook inzicht verschaft in de omvang van die posten, gaat het uit van een onjuiste opvatting omtrent de inlichtingenplicht van de heffingsambtenaar.
De heffingsambtenaar heeft ter zitting bij het hof aangeboden cijfermatig inzicht te geven met betrekking tot een aantal door belanghebbende in twijfel getrokken posten, indien het hof daarin meer inzicht wenst. De afwijzing door het hof van dit - voorwaardelijke - aanbod dient aldus te worden verstaan dat het hof geen aanleiding heeft gevonden de behandeling van de zaak te schorsen om de heffingsambtenaar in staat te stellen in dat stadium van de procedure alsnog te voldoen aan zijn inlichtingenplicht met betrekking tot de in twijfel getrokken posten. Het kennelijke oordeel van het hof dat daartoe in het onderhavige geval geen aanleiding was, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
B&W bestrijdt het oordeel van het hof dat de verordening in haar geheel onverbindend is. De Hoge Raad overweegt dat de omstandigheid dat de heffingsambtenaar niet de vereiste inlichtingen heeft verstrekt meebrengt dat niet kan worden beoordeeld of er posten zijn die niet dienden ter dekking van kosten waarvoor de leges mochten worden geheven, en zo ja welke posten dat waren en in welke mate de opbrengstlimiet daardoor is overschreden. Daaruit vloeit voort dat niet kan worden geoordeeld dat de tariefstelling in de gemeentelijke verordening slechts partieel onverbindend is. Het hof is dan ook terecht tot de slotsom gekomen dat de verordening in haar geheel onverbindend is, zodat de legesnota moet worden vernietigd.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.