Bouwleges; geen onredelijke en willekeurige belastingheffing
Belanghebbende heeft een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van een bouwvergunning voor het bouwen van een fabriek. De bouwsom bedroeg ƒ 14.000.000. Hiervoor is door de heffingsambtenaar van de gemeente Nijkerk een aanslag bouwleges opgelegd van ƒ 196.095.
Het hof heeft geoordeeld dat sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing.
Zoals ook tijdens de parlementaire behandeling is opgemerkt, kunnen gemeenten op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regelen, zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hun in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing.
Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel. Het hof heeft met juistheid vooropgesteld:
(i) dat het bij de toetsing aan de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet niet gaat om het kostendekkingspercentage per dienst of groep van diensten, maar om de kostendekking van alle in de Legesverordening opgenomen diensten, en
(ii) dat, gegeven de vrijheid die de wetgever aan de gemeentebesturen heeft willen toekennen bij het kiezen van heffingsmaatstaven en het bepalen van de aan die maatstaven gekoppelde tarieven, een geraamde winst van 2,21% op de leges die voor bouwvergunningen worden geheven, op zichzelf bezien geoorloofd is.
Uit voorgaande volgt, dat onderlinge verschillen in - op zichzelf geoorloofde - kostendekkingspercentages tussen groepen van diensten niet in strijd zijn met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel. Een motivering voor die verschillen is, anders dan het hof heeft geoordeeld, niet vereist.
Tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds is geen rechtstreeks verband vereist.
Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouw-vergunning wordt berekend naar een vast, bescheiden percentage (1,4%) van de bouwkosten. Het hanteren van een dergelijk vast percentage van de bouwkosten kan niet worden gekenschetst als onredelijk of willekeurig. Ook overigens bieden de gedingstukken geen grond voor het oordeel dat de hoogte van de geheven leges van circa ƒ 196.000 bij een bouwsom van ƒ 14.000.000 in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel.
Ook indien de verschillen in dekkingspercentages enerzijds en de hoogte van de geheven leges anderzijds tezamen en in hun onderlinge verband worden bezien, is er geen grond tot onverbindend verklaring wegens strijd met enig algemeen rechtsbeginsel.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond, vernietigt de uitspraak van het hof, en verklaart het tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar ingestelde beroep ongegrond.
DATUM:
14 augustus 2009
ECLI:
ECLI:NL:HR:2009:BI1943
ZAAKNUMMER:
43 120
INSTANTIE:
Hoge Raad
