Rioolrechten; gevolgen overschrijding opbrengstlimiet

Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1997 op één aanslagbiljet verenigde aanslagen rioolrecht eigenaren en rioolrecht gebruikers van de gemeente Heerlen opgelegd. Belanghebbende heeft tegen deze aanslagen bezwaar gemaakt. In eerste aanleg heeft het Hof Den Bosch het beroep gegrond verklaard en heeft de aanslag verminderd.
Het hof heeft daarbij o.a. geoordeeld dat het tarief in die mate moet worden aangepast dat wel wordt voldaan aan de eis van artikel 229 b, lid 1, van de Gemeentewet. Belanghebbende heeft tegen dit oordeel cassatie ingesteld, met het betoog dat het hof het tarief algeheel onverbindend had moeten verklaren, en als uitvloeisel daarvan de aanslagen algeheel had moeten vernietigen.
De Hoge Raad overweegt dat als uitgangspunt geldt dat in beginsel de tariefstelling in de gemeentelijke verordening slechts partieel onverbindend is, namelijk voor zover - nadat uit de lastenraming de (gedeelten van) posten zijn geëlimineerd die daarin ten onrechte zijn opgenomen - de geraamde baten uitgaan boven de geraamde lasten. Van algehele onverbindendheid is echter sprake indien voldaan is aan de criteria die de Hoge Raad heeft genoemd in de uitspraak van 10 april 2009, nr. 43 747, LJN BC3691 (nieuwsservice 2009-17). Hiervan uitgaande kunnen de door het hof vastgestelde feiten niet de slotsom dragen dat de onderhavige verordening slechts partieel onverbindend is, zodat de uitspraak niet in stand kan blijven en verwijzing dient te volgen.
Het verwijzingshof dient volgens de Hoge Raad allereerst te onderzoeken of het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat de posten bergbezinkbassin en perceptiekosten niet, althans niet geheel, dienden ter dekking van de kosten waarvoor de rioolrechten mochten worden geheven. Opmerking verdient daarbij nog het volgende. Met betrekking tot de vraag of en zo ja in hoeverre de opbrengstlimiet is overschreden, is het verwijzingshof gebonden aan het in cassatie niet bestreden oordeel van het hof dat noch de post bergbezinkbassin noch de post perceptiekosten diende ter dekking van de kosten waarvoor de rioolrechten mochten worden geheven. Niettemin staat het de heffingsambtenaar vrij om - met het oog op de gevolgen van de limietoverschrijding - het standpunt in te nemen dat die posten wèl daartoe dienden.
In dat geval geldt immers bij uitstek dat een ontkennend antwoord moet worden gegeven op de vraag of het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat die posten daartoe niet dienden. In dit verband dient voor wat betreft de post perceptiekosten acht geslagen te worden op de tweede alinea van onderdeel 4.3.2 van het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2005, nr. 39 273, BNB 2006/68 (nieuwsservice 2005-49).
Indien het verwijzingshof tot het oordeel komt dat het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat de post bergbezinkbassin niet, althans niet geheel, diende ter dekking van de kosten waarvoor de rioolrechten mochten worden geheven, dient het vervolgens te beoordelen of, na eliminatie van het desbetreffende bedrag uit de lastenraming, de geraamde baten in betekenende mate uitgaan boven het gecorrigeerde bedrag van de geraamde lasten.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.