‘Invorderen’ en artikel 3.1, vierde lid, van de Wro wordt uitgelegd alsof het gaat om een geschil inzake de heffing

Belanghebbende stelt dat de aanvraag van de omgevingsvergunning betrekking heeft op een perceel waarvan het bestemmingsplan ouder is dan 10 jaar en dus geen leges geheven kunnen worden.
De rechtbank overweegt dat de wetgever met de term ‘invorderen’ in artikel 3.1, vierde lid, van de Wro niet heeft bedoeld om de belastingplichtige de mogelijkheid te ontnemen om een geschil over de uitlegging van bedoelde bepaling aan de belastingrechter voor te leggen. Het zou uitermate onbevredigend zijn en een aantasting betekenen van de rechtsbescherming van de belastingplichtige, indien hij een dergelijke kwestie in een invorderingsgeschil zou moeten voorleggen aan de burgerlijke rechter. De rechtbank zal daarom geen gevolgen verbinden aan de term ‘invorderen’ en artikel 3.1, vierde lid, van de Wro uitleggen alsof deze bepaling ziet op een geschil inzake de heffing van leges.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de leges voor de welstandscommissie en de bodemrapporten niet geheven zouden mogen worden. Deze kosten houden geen verband met het bestemmingsplan, maar met de esthetische aspecten van de aanvraag en de bodemgesteldheid. De heffingsambtenaar van de gemeente Uitgeest heeft de leges voor het onderdeel ‘bouwactiviteit’ met 10% gecorrigeerd, omdat van de werkzaamheden die worden verricht voor de toetsing van een bouwactiviteit 10% wordt aangehouden voor de reguliere toetsing aan het bestemmingsplan. De rechtbank acht deze tijdsbesteding aannemelijk en redelijk gelet op alle werkzaamheden die bij het in behandeling nemen van een aanvraag komen kijken.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.